De heer G. de Jonge kijkt terug op de eerste oorlogsdag.
Tijdens de mobilisatie die vooraf ging aan de 2e Wereldoorlog werkte ik als tijdelijk onderwijzer aan de O.L. School te Ees en ik was woonachtig in Drouwen. Op de dag voor het uitbreken van de oorlog ging ik ’s avonds naar een verjaardagspartijtje ten huize van het Hoofd der School – meester en juffrouw Smids-Koopman. De brug over het kanaal Buinen-Schoonoord was afgesloten en werd bewaakt door Nederlandse militairen. Er zat niets anders op, dan met de fiets onder de arm over het sluisbruggetje te gaan. Ten huize van de familie Smids een gezellige verjaardag gevierd, die begeleid werd met allerlei lekkers en waarbij de drankfles vanzelfsprekend niet ontbrak. Tegen 23.00 uur ging ik huiswaarts via de sluis, want van de brug mocht geen gebruik gemaakt worden. Op de verdere weg naar huis ontmoette ik twee collega’s, die naar een vergadering waren geweest van het N.O.G. (Nederlands Onderwijzers Genootschap), die gehouden werd in Café Santing te Borger. Aan de manier van praten en fietsen merkte ik wel dat het in genoemd Café niet bij één vertering was gebleven. Bij de woning van mijn ouders aangekomen bleven we nog een poosje staan praten. Eén van de beide collega’s ging nog even over de sloot naar een nabijgelegen weiland en hield daar een toespraak tegen de daar liggende herkauwende koeien over de op handen zijnde oorlog. Hij beloofde de herkauwers plechtig, dat hij hen zou beschermen als “ki—ka—ko-olnel”, zodra de ophanden zijnde oorlog uitbrak.
In de vroege ochtend van de 10e mei 1940 werd ik door mijn moeder gewekt met de mededeling dat de oorlog was uitgebroken. De hele lucht zat vol met ronkende vliegtuigen en via de radio hoorden wij dat de Duitse soldaten op verschillende plaatsen onze grenzen hadden geschonden en zonder veel tegenstand oprukten. Tegen de tijd, dat de school moest beginnen ging ik wederom op de fiets richting Ees. De brug over het kanaal was inmiddels door de post van onze militairen opgeblazen. Via de sluis maar weer verder.
Op de school in Ees kwam van lesgeven niets. Besloten werd de kinderen naar huis te sturen. Ook ik ging naar huis. Er heerste een bedrukte stemming onder de mensen, die ik onderweg naar huis ontmoette. Het Café Polling passerend, kwam de jood Jonas Nijveen, volkomen van streek, de deur uit. Hij meende dat de Duitsers al achter hem aan zaten. Op de fiets deed hij elke morgen zijn z.g. handelsroute: Drouwen – Buinen – Borger – Drouwen.
Zijn handel bestond hoofdzakelijk uit huiden van geslacht of gestorven vee. Met moeite kreeg ik de oude man op zijn fiets en steunend en kreunend bracht ik oude Jonas naar zijn woning, waar ik hem voor verdere verzorging overdroeg aan zijn dochter Roos met de boodschap: “Schenk je vader maar een flinke borrel in en stop hem maar in bed om tot rust te komen”.
Later werden Jonas en dochter Roos afgevoerd via Westerbork naar Duitsland, waar zij uiteindelijk het leven lieten in de gaskamers van een concentratiekamp.
De volgende morgen ging ik weer aan het werk aan de Eeserschool. Het leven ging schijnbaar gewoon zijn gang. Dat we het erg moeilijk zouden krijgen lag voor de hand.
Mijn echtgenote, Hennie Meijeringh, werkte toen als jong meisje op de afdeling “Bevolking” van het gemeentehuis in Borger. In het gemeentehuis trof zij de burgemeester – Jan Klases Doornbos, die geheel van streek was en haar directe chef de heer Volkers aan. Tijdens hun gesprek, waaruit duidelijk naar voren kwam, dat de burgemeester zonder meer bang was, kwam er een jongeman binnen uit Nieuw Buinen, die in ondertrouw wilde, waarop de burgemeester antwoordde: “Wie denkt er nu het oorlog is aan trouwen?” waarop de jongeman antwoordde: “Mow ‘k ’t wichje dan laoten loop’n?” Het leek er dus op dat de twee trouwlustigen te nieuwsgierig waren geweest en dat een huwelijk gesloten moest worden op natuurlijke grondslagen.
De heer Volkers – ondanks de oorlog – ad rem en geestig als altijd, antwoorde op de vraag van de burgemeester: “Burgemeester oorlog of geen oorlog, de lust tot paren zal altijd blijven bestaan”.
0 reacties