1. Home
  2. |
  3. Tweede Wereldoorlog
  4. |
  5. Oorlogstijd
  6. |
  7. De oorlogsjaren in Westdorp

De oorlogsjaren in Westdorp

0 Reacties

Toen op 10 mei 1940 de Duitsers ons land binnenvielen, lag ik nog te slapen in één van de twee bedsteden in de woonkeuken van mijn ouders, Mijn vader wekte mij en zei dat de oorlog was uitgebroken en dat ik direct op moest staan. Voor zover ik mij kan herinneren, was het op een maandag en werd er die dag een biggenmarkt gehouden in Borger. Ik zat voor het eerste jaar op de ULO en hoefde, meen ik, die dag niet naar school. Of mijn zussen al gemolken hadden, weet ik niet meer en ook niet of mijn twee jongere broers al wakker waren. Mijn moeder zeker wel, want zij stond altijd vroeg op om het ontbijt klaar te maken. Het staat mij nog wel voor de geest dat er een gedrukte stemming heerste in ons gezin. Gelukkig waren er geen naaste familieleden van ons in militaire dienst, maar wel dorpsgenoten. De  oorlogshandelingen in Westdorp bleven beperkt tot het laten springen van enkele bruggen over het kanaal Buinen-Schoonoord. Niettemin zaten wij in spanning over het verloop van de strijd in andere delen van Nederland. Bij de Afsluitdijk en op de Grebbeberg  werd er veel weerstand geboden en sneuvelden er ook Nederlandse soldaten. Het bombardement van Rotterdam en de landing van Duitse parachutisten in het westen van het land, stemden ons somber en deden ons al gauw vrezen dat Nederland de strijd zou verliezen. Het vertrek van koningin Wilhelmina en de andere leden van het Koninklijk Huis met een deel van de regering versterkte deze sombere gevoelens. Reeds op 15 mei, slechts vijf dagen na de brute inval van de Duitsers, capituleerde het Nederlandse leger en tekende generaal Winkelman het bewijs hiervan in een schooltje aan de Rijksstraatweg in Rijsoord, niet ver van het zo zwaar getroffen Rotterdam.

Na de capitulatie bleef Nederland tot de bevrijding in 1945 ongeveer vijf jaar lang bezet gebied. Wij hadden er toen nog geen idee van wat ons daardoor te wachten stond en we waren in eerste instantie vooral blij dat de oorlog was afgelopen. Maar deze blijdschap werd al gauw overschaduwd door allerlei maatregelen en voorschriften die onze vrijheid beperkten. Veel dingen werden ons verboden, vaak met de waarschuwing voor strenge straffen, als wij ons er niet aan hielden. Het gevolg was, dat wij steeds meer hekel kregen aan de Duitsers en aan de Nederlanders die met hen heulden. Dat waren vooral de NSB’ers en met name degenen die lid werden van de Jeugdstorm, de Landwacht en de WA. In Westdorp waren er van de circa 50 gezinnen vijf, waarvan leden tot deze gehate organisaties behoorden of in dienst traden van de Duitse Weermacht. In Ellertshaar, waar 7 gezinnen woonden, was er één NSB-gezin.

Het zal duidelijk zijn, dat  de aanwezigheid van NSB’ers, en vooral van de geüniformeerden onder hen, een scheuring teweegbracht tussen de circa 225 dorpsbewoners. Dat werd alleen maar erger door het oppakken van de Joden en doordat veel jonge mannen gedwongen werden om in Duitsland te gaan werken. Wie daaraan wilde ontkomen, probeerde onder te duiken, maar niet iedereen durfde dat of  had er gelegenheid voor. Door de invoering van stamkaarten en de daaraan gekoppelde distributie van levensmiddelen en kleding was het moeilijk om de onderduikers hieraan te helpen. Dat kon alleen maar illegaal en dat gebeurde ook al gauw op die wijze door mensen die zich hiervoor inzetten. Zij verzamelden bonnen bij  te vertrouwen dorpsgenoten en toen dat niet meer voldoende bleek, waren er intussen ondergrondse verzetsgroepen gevormd. die ondermeer enkele distributiekantoren overvielen. Dat was voor degenen die een dergelijke overval pleegden hoogst riskant, maar ook voor hen die er door werden getroffen. Zij liepen het risico dat zij van medeplichtigheid werden beschuldigd en als gevolg hiervan werden opgepakt. Ook de mensen die onderduikers verborgen, liepen zulke risico’s. In feite stelden allen die zich bezighielden met activiteiten die de Duitsers niet welgevallig waren, zich bloot aan zware straffen, zoals executie of het opsluiten in een concentratiekamp .Executie vond soms in het openbaar plaats, maar ook wel in het geheim. Van zo’n stille, laffe moord is één van de inwoners van Westdorp, Roelof Oosting Azn., slachtoffer geworden. Wij kenden hem  heel goed, doordat hij dikwijls hielp in het boerenbedrijf van mijn ouders. Hij werd neergeschoten in een bos bij Zeijen en na de bevrijding in 1945 herbegraven op het kerkhof in Borger. In de gemeente Borger werden tenminste 10 personen door de bezetters om het leven gebracht. Wie dat waren, vermeld ik hier niet, omdat het geen inwoners van Westdorp of Ellertshaar betrof. In deze twee dorpen bleef het gelukkig  bij één dodelijk slachtoffer.

Er waren echter veel meer inwoners in beide plaatsen die onder de bezetting leden. Zij die waren ondergedoken of onderduikers in huis hadden, zaten voortdurend in angst. Dat gold in nog sterkere mate voor de mensen in het verzet en hun familieleden. In Ellertshaar kwamen regelmatig leden van een noordelijke verzetsgroep bijeen. Zij beschikten over wapens en brachten vele malen onderduikers die gevaar liepen in veiligheid. Vooral ook in de laatste anderhalf jaar voor de bevrijding werden er niet ver van Ellertshaar nu en dan door vanuit Engeland komende vliegtuigen wapens afgeworpen. Leden van de verzetsgroep verzamelden deze wapens en verborgen ze daarna zo snel mogelijk.  Na zulke ‘droppings’ troffen wij in  korenvelden soms  resten van kleine omhulsels aan. Van de nylon stof van de parachutes die wij daar ook wel eens vonden, maakten mijn zussen blouses. Ook daar was voorzichtigheid bij geboden, om te voorkomen dat de Duitsers argwaan kregen. Een gelukkige omstan-digheid voor ons was hierbij, dat er in Westdorp tot kort voor de bevrijding geen Duitse militairen gelegerd waren.

Soms werden er in plaats van wapens,  pamfletten afgeworpen met informatie over de vorder-ingen van de geallieerde troepen. Dorpsgenoten die nog over een radio beschikten en er in het geheim naar konden luisteren, bleven daarvan door Radio Oranje ook wel op de hoogte. Maar deze vormen van informatievergaring waren ten strengste verboden, evenals het lezen, het in bezit hebben en het verspreiden van illegale blaadjes of berichten. Het overbrengen van berichten en waarschuwingen door personen, was vaak nog het veiligst. Van die mogelijkheid werd door enkele inwoners van Westdorp  regelmatig gebruik gemaakt. Eén van mijn dorps-genoten vertelde mij daar vele jaren na de oorlog nog voorbeelden van, waarbij hij zelf betrokken was. Hij bracht vaak berichten naar een gezin dat onderduikers in huis had. Omdat daar dichtbij een NSB-gezin woonde, trachtte hij steeds zo onopvallend mogelijk tewerk te gaan, door bijvoorbeeld een stuk gereedschap aan de fiets te hangen om de indruk te wekken dat hij dit geleend had en terugbracht.

Bij het wegbrengen van een onderduiker naar een veilige plek, wist degene die hierbij als begeleider optrad als regel niet om wie het ging en waar hij precies terecht zou komen. De betreffende persoon werd, met gebruikmaking van een soort wachtwoord, gebracht naar iemand die op een afgesproken plaats en tijd de onderduiker overnam. Mijn zegsman uit Westdorp  had zelf eens zo’n begeleiderstaak vervuld, zonder dat hij wist om wie het ging. Na de bevrijding kwam er op een dag iemand bij hem om te controleren of hij niet meer kippen hield dan in verband met de distributie van veevoer was toegestaan. Dat bleek dezelfde man te zijn die hij als onderduiker had begeleid. Deze keer hielp die hem uit een netelige situatie.

In de oorlogsjaren werd er vanwege de distributiemaatregelen op boerderijen heel veel gecontroleerd. Bij huisslachtingen bijvoorbeeld kwam er een controleur om het vlees te wegen en bij het dorsen van graan kwam er eveneens een controleur/weger. Ook op de toege-stane aantallen runderen, varkens en kippen werd regelmatig controle uitgeoefend. Er waren goede controleurs, die wel wat door de vingers zagen en anderen die dat niet deden. Bij de goede kon er meestal wel wat van het gewogen product achter gehouden worden, voor de weger zelf en voor mensen van wie boer en controleur wisten, dat die het nodig hadden. Daarnaast werd er vooral met spek en andere producten van de slacht ruilhandel bedreven. Dat was tijdens de oorlog op het platteland dé manier om aan schaars geworden artikelen te komen. Niemand leed zodoende honger, dit in tegenstelling tot de bevolking in de steden. Zelfs in de behoefte aan artikelen die erg schaars waren, zoals tabak bijvoorbeeld, konden velen op het platteland voorzien door zelf tabak te gaan telen. Mijn vader, die altijd een pijp rookte, deed dat ook en wij hielpen hem daarbij. Op een akkertje dicht bij huis verbouwden wij gedurende enkele oorlogsjaren twee soorten tabak, Amersfoortse en Virginia. Zodra de bladeren van deze tabaksplanten begonnen te kleuren, oogsten wij ze en regen wij ze aan lange stukken dun touw of aan dunne draden. Daarna hingen wij ze op om ze te laten  drogen. Dit drogen gebeurde bij ons meestal in de tijdelijk lege koestal, waar nog vrij veel zonlicht binnenkwam. Als de tabaksbladeren voldoende gedroogd waren, werden ze met behulp van een speciaal daarvoor geschikt apparaatje geneden en daarna meestal nog opgestuurd om gefermenteerd te worden. Mijn vader gebruikte deze tabak in de pijp en als beginnende roker draaide ik er soms sigaretten van. Daarvoor waren speciale vloeipapiertjes nodig, die ook lang niet altijd meer verkrijgbaar waren.

Behalve tabak verbouwden we op het eerder genoemde akkertje ook haast elk jaar wel een perceeltje korrelmaïs. Als zaaizaad gebruikten wij hiervoor maïskorrels uit kippenvoer, maar dit was meer liefhebberij dan dat het met een bepaald gebruiksdoel werd gedaan. Andere gewassen die wij tijdens de Tweede Wereldoorlog op beperkte schaal wel en daarvoor vrijwel nooit teelden, waren koolzaad en suikerbieten. Ik meen mij te kunnen herinneren, dat de teelt van koolzaad zelfs verplicht was gesteld met het oog op de spijsolievoorziening. In elk geval weet ik nog goed, dat mijn vader daarvoor een stuk geploegd weiland gebruikte dat niet eerder als bouwland was benut, omdat het er niet geschikt voor was. De opbrengst van dit niet ‘grondeigen’ gewas viel dan ook tegen. Dat kwam waarschijnlijk mede door het feit dat er tijdens de oorlog tevens schaarste was aan kunstmeststoffen.  Of wij van suikerbieten wel een noemenswaardige oppervlakte hebben verbouwd, weet ik niet meer. Als ik mij niet vergis, deden we dat in hoofdzaak voor eigen gebruik, om er stroop van te kunnen maken. De pogingen daartoe leverden echter niet het gewenste resultaat op. Al met al moesten wij ons op het gebied van levens- en genotmiddelen weliswaar behelpen, maar wij hadden altijd genoeg te eten en te drinken. Alleen voor bijzondere gelegenheden was het moeilijk om aan dranken te komen die we graag wilden hebben. Zo herinner ik mij dat wij voor de visite bij ons thuis, ter gelegenheid van het huwelijk van een zus, in 1944, op de fiets naar Wildervank zijn ge-weest om een aantal flessen Cultura te halen. Dat was een soort vruchtenwijn, waarvoor wij behalve geld ook nog een stuk spek hebben moeten betalen. Maar wij waren al lang blij, dat wij tenminste iets hadden om het beperkte aantal gasten bij de trouwpartij te trakteren.

Zo’n bijeenkomst thuis was tijdens de oorlog één van de weinige mogelijkheden om iets feestelijks te organiseren. Dit kwam mede doordat  het verboden was om na een bepaalde tijd nog buiten te zijn. Ik meen dat wij van middernacht tot vier uur ’s morgens binnen moesten blijven. Ook moesten in de oorlogsjaren  de woningen  ‘verduisterd’ worden. Veel bijeenkomsten van verenigingen en organisaties waren verboden of werden, vooral tijdens het winterseizoen, slecht bezocht. Fietsen werden op grote schaal gevorderd en waren daardoor ook schaars. Voor zover men er nog over beschikte, waren ze in veel gevallen uitgerust met ‘surrogaatbanden’. Dat waren uit oude autobanden gesneden stukken rubber, die om de velgen van de wielen werden aangebracht. Zonder binnenbanden dus en daardoor was het rijden op zulke fietsen bepaald geen genoegen. Al met al waren de bezettingsjaren, ook op het platteland, in veel opzichten toch uiterst onaangenaam.

Voor jongelui was het in zekere zin tevens een saaie tijd, met weinig mogelijkheden voor ontspanning. Ik vond het daarom wel prettig, dat ik juist toen naar de Uloschool ging. Voor zover wij vrije tijd hadden, brachten wij die door met vrienden in het dorp en met bezoeken aan familieleden. Verder genoot ik zelf als een van de weinige jongens  uit Westdorp van de bijeenkomsten van de VCJC, de Vrijzinnig Christelijke Jeugdcentrale. Daarin werd naast ontspanning ook veel aan vormingswerk  gedaan.

Bij het vermaak in het dorp hoorde ook het zoeken van contacten met meisjes. De beste gelegenheden daarvoor waren de avonden met wat wij ‘kediet’ of vrijaf noemden. Dat betekende, dat er bij mensen in het dorp, die bij buren of bij andere dorpsgenoten op visite waren, meisjes gezellig bij elkaar zaten om op het huis te passen. De jongens wisten meestal heel goed waar dat was en probeerden bij de betreffende meisjes binnen te komen. Soms gelukte dat gemakkelijk, maar vaak moest er ook een list voor worden bedacht om het beoogde doel te bereiken. Eenmaal binnen, zochten de jongens bij voorkeur een zitplaats naast een meisje waar ze een oogje op hadden. Zij probeerden dan toestemming te krijgen van dat meisje om haar op het eind van de avond  naar huis te brengen. Ook werden er op zulke avonden wel spelletjes gedaan of populaire liedjes gezongen. En soms gebeurde het ook wel dat de jongens baldadig werden en bijvoorbeeld een droge metworst uit de wiemel haalden om die gezamenlijk op te eten.

Het was vooral bij dergelijke gelegenheden, dat ik de eerste ervaringen opdeed in de omgang met meisjes. Veel verder dan voorzichtig zoenen met elkaar kwam het daarbij meestal niet. Als jongen wilde je al gauw wat meer, maar de meeste meisjes weerden dat meestal af.  Zij hielden zich over het algemeen, denk ik, beter aan de boodschap die alle jongelui destijds van hun ouders meekregen als ze de straat op of naar een feestje gingen. Die boodschap luidde steevast: ‘Goed oppassen heur!’ Maar deze nogal vage opdracht werd niet altijd nageleefd, zoals later soms bleek uit een gedwongen huwelijk op jonge leeftijd.

Een ander geliefd vermaak in de oorlogsjaren, was schaatsen. Doordat er juist in die jaren enkele strenge winters waren, kon er toen behalve op sloten en plassen tevens geschaatst worden op het kanaal Buinen – Schoonoord. Ook tijdens het schaatsen zochten jongens en meisjes die er de leeftijd voor hadden wel toenadering tot elkaar. Zelf werd ik in één van de strenge oorlogswinters smoorverliefd op een, in mijn ogen, mooi schippersdochtertje. Zij woonde bij haar ouders in een schip, dat korte tijd vastgevroren lag in het eerder genoemde kanaal, een eindje  voorbij de sluis en  de brug, waarover je naar Ellertshaar kon. Als ik maar even een kans zag, ging ik daar heen en probeerde ik met haar in contact te komen om vervolgens samen een korte wandeling te maken. Maar zelfs dat mocht niet van mijn ouders, want ik moest mijn aandacht bij het huiswerk voor de Uloschool houden en niet achter meisjes aanlopen. Toen ik daar niet naar luisterde en nog weer een poging deed om het lieve wicht te ontmoeten, nam mijn vader mij geducht onder handen. En dat werkte natuurlijk totaal averechts, want ik voelde dit als uiterst onrechtvaardig en nam mij voor om bij  het  zoeken van een meisje voortaan mijn eigen gang te gaan. Ten opzichte van de schippersdochter hoef-de dat overigens niet meer. Kort nadat de dooi was ingetreden, vertrok het schip van haar ouders uit Westdorp, verloor ik ‘mijn’ meisje uit het oog en na verloop van tijd ook uit het hart.

Mijn prestaties op de Uloschool hebben onder mijn puberteitsgrillen blijkbaar niet veel te lijden gehad. Ik werd namelijk elk jaar bevorderd naar een hogere klas en behaalde in 1943 het A-diploma van deze school. Dat heb ik samen met mijn klasgenoten van dat jaar gevierd op de deel in de boerderij van mijn ouders. Daar kozen we voor, aangezien wij er met het oog op het verbod om tussen 12 en 4 uur buiten te zijn, het best terecht konden. Het werd, hoe sober ook, toch wel een vrolijk feest, met muziek en zang en korte sketches op een geïmproviseerd toneel. Mijn broertje van 13 was er stiekem oorgetuige van, doordat hij zich had verscholen in de kribbe van een paardenstal die aan onze ‘feestzaal’ grensde. Toen het vier uur in de morgen was en het al wat licht begon te worden, zijn wij met alle deelnemers aan het feest een korte wandeling door het dorp gaan maken, waarna wij afscheid namen van elkaar. Voor mij was het nog geen afscheid van de ULO, omdat ik na het Diploma-A ook het B-Diploma wilde behalen. Dat had ik namelijk nodig voor de door mij inmiddels gekozen vervolgopleiding, zijnde de Middelbare Landbouwschool in Groningen. Achteraf bezien had ik het B-Diploma van de Ulo waarschijnlijk ook wel direct kunnen halen, maar omdat ik niet uitblonk in wiskunde gebeurde dat niet. Dat ik er een jaar extra voor nodig had, was gezien de tijdsomstandigheden overigens niet erg. Aangezien ik in dit extra jaar tijd over had, besloot ik er nog iets bij te leren. Zo behaalde ik in het voorjaar van 1944 niet alleen het ULO-B Diploma maar ook het Middenstandsdiploma en een Diploma Landbouwboekhouden. Hiermee toegerust zou ik eind augustus 1944 mijn studie aan de MLS in Groningen beginnen. Dat ging echter vanwege de oorlogsomstandigheden niet door. Net als veel andere onderwijsinstellingen sloot de MLS namelijk tijdelijk  haar poorten. Voor mij betekende dit opnieuw een jaar verlies bij de voorbereiding op mijn vervolgonderwijs.. Daar stond tegenover dat ik in de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog, waarin veel dingen steeds onzekerder en riskanter werden, niet van huis hoefde, maar rustig in het boerenbedrijf van mijn ouders kon blijven meehelpen. Vanwege mijn lichamelijke handicap kon ik weliswaar niet aan alle werkzaamheden deelnemen, maar er was desondanks genoeg voor mij te doen.

In elk geval leerde ik de praktijk van het boerenbedrijf van mijn ouders beter kennen dan voor die tijd, toen ik alleen tijdens de schoolvakanties meehielp. Door mijn handicap ontkwam ik aan het door de Duitsers verplicht gestelde werk aan een verdedigingslinie, die zij op veel plaatsen in Drenthe meenden te moeten aanleggen. Dat bleek achteraf een vergeefse moeite te zijn geweest, want onze bevrijders ondervonden er geen of weinig hinder van. Wel bleven zij langer weg dan wij verwacht hadden en daardoor werden de leefomstandigheden vooral in het westen van Nederland steeds moeilijker. De winter van 1944/45 werd daar voor velen  een echte ‘Hongerwinter’. Bij ons in het noorden liepen in die periode de spanningen verder op, doordat de Duitsers steeds meer in het nauw werden gebracht, onder meer door zware bombardementen van een aantal industriële gebieden en grote steden. Wat hebben wij toen ’s avonds en ‘s nachts in bed vaak liggen luisteren naar de formaties overvliegende bommen-werpers van de geallieerde luchtmacht en naar het angstaanjagende geluid van jachtvlieg-tuigen die ze probeerden aan te vallen en neer te schieten. Dit laatste gebeurde helaas vele  keren,waardoor er verscheidene bemanningen van neerstortende vliegtuigen om het leven kwamen, of in geval van overleving, gevangen werden genomen. Ook de verzetsgroepen begonnen zich meer te weren en riepen door enkele overvallen vreselijke wraakacties op van de Duitsers in de vorm van executies. Een achteraf bezien goed afgelopen, zeer gewaagde overval vond plaats op 11 december 1944 in Assen. Daar werden toen door de Noordelijke Verzetsgroep 21 gevangenen, die  hoogstwaarschijnlijk door de Duitsers zouden worden doodgeschoten, uit de Asser gevangenis bevrijd en in veiligheid gebracht.

Gedurende het laatste oorlogsjaar voerden vliegtuigen van de geallieerde luchtmacht in ons land dikwijls aanvallen uit op transporten, waarvan vermoed werd dat hiermee de bezetters getroffen konden worden. Met name binnenschippers hadden daar soms onder te lijden, zoals ook in Westdorp, waar enkelen van hen een  tijdelijke ligplaats hadden gevonden. In de zomer van 1944 kregen wij er zelf op geheel onverwachte wijze ook mee te maken. Dat gebeurde op een dag in augustus, tijdens de korenoogst. Wij waren bezig met het maken van een korenmijt op een daarvoor bestemd perceel langs de weg naar Schoonloo, niet ver van de rand van het staatsbos. Mijn vader en mijn zus Tinie waren bezig met het bovenste deel van de mijt, toen er plotseling vanaf het bos enkele jachtvliegtuigen met geweld over ons heen raasden. Mijn zus schrok daar zo van, dat zij haastig van de mijt af trachtte te komen  Door die haast kwam zij met één van haar armen op een tand van een vork terecht, die vervolgens in deze arm doordrong. Toen de tand er was uitgetrokken, bleek er een behoorlijke wond te zijn ontstaan, die zij bij de huisarts in Borger moest laten verzorgen. Ik heb nooit begrepen waarom de betreffende jagers zo laag over ons heen kwamen en nog minder, waarom er vanuit deze jachtvliegtuigen op ons geschoten werd.

Een enigszins vergelijkbare ervaring deed  ik zelf op aan het eind van de winter 1944/’45. Onder dwang van een dicht bij ons wonende landwachter moest ik toen, als een soort scheepsjager, een volle praam met aardappelen wegbrengen  in de richting Schoonoord. Dat deed ik met de kidde ( hit ) van mijn ouders, vanaf de sluis bij de brug in de weg van Westdorp naar Ellertshaar. Ik weet niet meer wie op de praam aan het roer stond, maar ik herinner mij nog wel dat ik er niet ver mee ben gekomen. We waren nog lang niet halverwege Schoonoord, toen er, ook weer plotseling, een jachtvliegtuig opdook van waaruit  werd geschoten. Ik vond dat een gegronde reden om niet verder te gaan en keerde dus met de kidde terug naar huis. Wat er van de praam met aardappelen terecht is gekomen, weet ik niet en dat interesseerde mij op dat moment ook geenszins.

Naarmate de geallieerde troepen vanuit Frankrijk verder oprukten naar het oosten en het noorden, kwamen de Duitsers daar steeds meer in het nauw. Ook de NSB’ers en vooral de geüniformeerden onder hen, begonnen voor hun hachje te vrezen. De geruchten over een zogenaamde ‘bijltjesdag’ die hen na de bevrijding  te wachten zou staan, droegen daar in sterke mate toe bij. Onder invloed hiervan hadden veel NSB’ers een goed heenkomen gezocht in het noorden van Duitsland. Maar toen zij daar ook niet welkom bleken, keerden veel van deze als ‘Luneburgers’ aangeduide vluchtelingen terug naar Nederland en onder andere naar Drenthe. Behalve volwassenen waren daar ook kinderen bij. De betreffende vluchtelingen werden door de toenmalige, met de Duitsers heulende gezaghebbers gedwongen onder-gebracht in Nederlandse gezinnen. Mijn ouders kregen ook de aanzegging, dat zij twee jongetjes van ongeveer vijf en acht jaar tijdelijk als logees moesten opnemen. Dat gebeurde, vanwege het gedwongen karakter hiervan, met grote tegenzin. Van deze tijdelijke uitbreiding van ons gezin met twee ongewenste gasten kan ik mij niet zo veel meer herinneren. Achteraf bezien was het voor de jongetjes zelf waarschijnlijk nog het ergst, dat zij bij voor hen wild-vreemde mensen werden gedropt. Hoe lang dit gedwongen logies geduurd heeft en wat er van de ‘Luneburgers’ terecht is gekomen, weet ik niet meer. Op een bepaald moment vertrokken zij in elk geval weer uit Westdorp. Intussen kwam de bevrijding steeds dichterbij.

De bevrijding van Westdorp vond plaats,op donderdag 12 april 1945. Gedurende de laatste week van  de bezetting kwam  er in het dorp een groep Duitse militairen. Een aantal gezinnen  werd gedwongen deze militairen tijdelijk onderdak te verschaffen. Ook bij ons op de deel van de boerderij ‘logeerden’ Weermachtsoldaten. Het waren in hoofdzaak al wat oudere mannen, onder wie enkele boeren uit Beieren. Dankzij mijn in 1944 afgeronde U.L.O.-opleiding, kon ik met hen eenvoudige gesprekken voeren. Daaruit bleek mij, dat vooral deze oudere boeren even sterk verlangden naar het einde van de oorlog als wij.  Gelukkig liet dit einde niet lang meer op zich wachten. In Westdorp kregen wij echter kort vóór en bij de bevrijding nog wel van heel nabij met oorlogsgeweld te maken. Dat begon, nadat er in de nacht van zaterdag 7 op zondag 8 april in de wijde omgeving van het dorp Franse parachutisten waren neergekomen. In heel Drenthe waren dat er circa 700.  Een klein deel van hen raakte zondagmorgen even buiten Westdorp, bij een aantal korenmijten rechts van de weg naar Schoonloo, in een hevig vuurgevecht verwikkeld met een Duitse patrouille. Daarbij vielen enkele doden en meerdere gewonden. In de loop van de zondag werden die op enkele zogenaamde wipkarren  vanaf het strijdtoneel naar het dorp gebracht. De gewonden werden in het toenmalige dorpscafé Eggens behandeld, terwijl de gesneuvelden achter een heg kwamen te liggen, vanwaar zij wat later naar Borger werden afgevoerd. Enige dorpsbewoners, onder wie mijn  twee jongere broers van respectievelijk dertien en vijftien jaar en ik zelf ( achttien jaar ), waren daar op korte afstand getuige van. Dat kon gemakkelijk, omdat wij immers naast het genoemde café woonden.

Uiteraard maakten de vermelde gebeurtenissen een diepe indruk op ons. Ze brachten ons er tevens toe om nog diezelfde zondag, samen met een tweetal buurgezinnen, een begin te maken met het graven van een ‘schuilkelder’. Dit voor het geval dat zich de komende dagen nog meer oorlogsgeweld zou aandienen. Dat gebeurde vier dagen later, op donderdag 12 april. De dag ervoor merkten wij al dat de Duitsers zich aan het voorbereiden waren om zich zo nodig te kunnen terugtrekken. Zij vorderden namelijk paarden en wagens om zo veel moge-lijk van hun uitrusting te kunnen meenemen, wanneer ze zouden moeten vluchten. Van ons eisten ze onder andere de kiddenkar  en de kidde, die daar meestal voor liep. Toen ze hiermee donderdagochtend vertrokken, vroegen wij aan één van de Beierse militairen om  zo mogelijk ergens bericht achter te laten over de bezittingen die zij van ons  meenamen. Wij hadden namelijk het idee, dat zij er niet ver mee zouden wegkomen.

In de loop van donderdagmorgen kregen de dorpsbewoners het advies om de ramen van hun huizen te beschermen door deze en de deuren zoveel mogelijk open te zetten. Hoogst-waarschijnlijk zouden er, zo werd erbij gezegd, enkele bruggen over het door Westdorp lopende kanaal worden opgeblazen. Dit was voor ons het sein om onze inmiddels gereed gekomen primitieve schuilkelder in gebruik te gaan nemen. Wij hadden die gemaakt in de half open kapschuur van onze overbuurman Albertus Meenderman. Het was een langgerekt gat in de grond, waarvan de zijkanten waren opgehoogd met behulp van stropakken. Deze stonden zo ver van de randen van het gat, dat er enige ruimte over was om op te zitten. Tegen de stropakken aan en ook op het provisorische dak van onze schuilplaats hadden wij het uitgegraven zand aangebracht. Omstreeks het middaguur trokken wij met drie gezinnen ( Hof, Kuiper en Meenderman ) in ons noodverblijf. In totaal waren wij, naar ik meen, met zestien personen.  Kort nadat wij ons in onze schuilruimte hadden begeven, hoorden wij al de eerste granaten over en langs ons heen gaan. Daarna volgden er heel veel meer. Ze waren waar-schijnlijk gericht op het afweergeschut dat de Duitsers een eindje achter de boerderij van de familie Kuiper, tegenover café Eggens, hadden opgesteld. Ofschoon deze overkomende granaten een angstaanjagend geluid maakten, raakten wij er niet door in paniek. Alleen onze oudste buurvrouw, de weduwe van Willem Kuiper, kreeg het na verloop van tijd benauwd en begon op klagende toon hardop te bidden.

Het was prachtig weer die dag, met volop zonneschijn en geen zuchtje wind. Omdat het tussen het schieten door soms heel stil was, drongen er nog wel geluiden van buiten tot ons door. Zo hoorden wij aanvankelijk regelmatig Duitse soldaten op het erf van de boerderij heen en weer lopen en met elkaar praten. Ook ging er op een bepaald moment over de nabij gelegen dorpsstraat in volle galop een paard voorbij. Later bleek dat dit dier ontsnapt was uit de in brand geschoten boerderij van de familie B. Jansen, die aan de buitenkant van het dorp stond. Geleidelijk verminderde het aantal overvliegende granaten. In plaats daarvan ketsten er toen regelmatig kogels uit lichtere wapens op het dak van asbest golfplaten, dat op de kapschuur lag. Tussen deze geluiden door hoorden wij op een gegeven ogenblik buiten iemand op bevelende toon roepen:’Auf die Brücke zurückziehen’. Daaruit kon ik begrijpen en verklaren, dat de aftocht van de Duitsers nabij was. Al gauw daarna werd het stil op buurman’s erf en nam ook het schieten af.

Intussen werden wij steeds nieuwsgieriger naar de afloop van deze oorlog in het klein. Pas  tegen vier uur in de namiddag kregen wij daar zekerheid over. Eerst hoorden wij toen iemand lopen op de doorrit in de schuur.’Het is een soldaat met een broen pak an ‘, zei onze buurman Bertus. Hij zat vooraan bij de uitgang van onze schuilplaats en had even om het hoekje gekeken. Enkele ogenblikken later stond die gesignaleerde soldaat met een mitrailleur in de aanslag voor ons ‘hol’. Hij liet ons er één voor één uitkomen en controleerde daarna nog even heel goed of er niemand in was achtergebleven. Nadat wij hem duidelijk onze blijdschap hadden getoond over zijn komst, begaven wij ons naar buiten. Daar zagen wij veel meer soldaten in ‘broene pakken’. Een aantal van hen was nog bezig de boerderijen om ons heen op de mogelijke aanwezigheid van achtergebleven Duitse soldaten te controleren. Al gauw liep een groot deel van de Westdorper bevolking, met inbegrip van enkele schippersgezinnen, die er tijdelijk deel van uitmaakten, tussen de lang verwachte bevrijders op straat. Ook mijn broers en ik gingen het dorp in. Daar hoorden we dat er geen slachtoffers waren gevallen onder de dorpsgenoten. Wel was er, zoals eerder vermeld werd, een boerderij afgebrand. Verder hadden veel boerderijen en woonhuizen schade opgelopen door de zware beschiet-ingen. Onder degenen die wij ontmoetten in het dorp, bevonden zich  ook enkele jonge man-nen, die wij in maanden niet hadden gezien. Wij wisten wel, dat ze waren ondergedoken, maar niet, dat ze zo dichtbij zaten. De vrouw van een  NSB’er die het kennelijk ook benauwd had gekregen en zich op haar manier weer van de goede kant wilde laten zien, meende in de feestvreugde te kunnen delen door luidkeels ‘ Leve de koningin’ te roepen. Zij werd echter door een aantal dorpsgenoten op niet al te vriendelijke wijze  snel teruggestuurd naar huis.

Op de brink waren wij er getuige van dat enkele tientallen Duitse soldaten, onder zwaar gewapende begeleiding, als krijgsgevangenen het dorp uitmarcheerden. Tot de begeleiders behoorden in mijn herinnering enkele militairen met een donkere huidskleur. Maar het waren ,zoals wij later vernamen, in hoofdzaak Poolse infanteristen die de Duitsers uit Westdorp verdreven. Zij werden hierbij gesteund door Canadese tanks en andere , meest gepantserde voertuigen. Ook was er een aantal jeeps bij. Al dit materieel kwam aan het eind van de middag Westdorp binnenrijden vanuit de richting Schoonloo. De Poolse infanteristen waren  vanaf Eesergroen het dorp genaderd. Zodoende werden de Duitsers van twee kanten aange-vallen en in het nauw gedreven. De Canadese militairen hadden veel spullen bij zich om aan de bevolking uit te reiken. Ik herinner mij nog goed, dat wij onder andere kauwgum, choco-lade, sigaretten en corned beef in blik van hen kregen.

Terwijl veel dorpsbewoners nog bezig waren hun bevrijders enthousiast te begroeten, gebeurde er plotseling iets bijzonders. Een vrouw, die vanaf een huis langs het kanaal , naar de drukte in het dorp kwam kijken, meldde dat er buiten het dorp ergens in een sloot nog een Duitse militair zat. In een minimum van tijd reed er een lichte pantserwagen met grote snelheid, al schietend, in de richting die de vrouw had aangeduid. Weldra zagen wij in de verte een kleine witte vlag, of iets dat daarop leek, omhoog gaan. Daarna keerde de uitgerukte voertuig, met de gevangen genomen Duitse militair voorop, bij ons terug. De talrijke omstan-ders die dit zagen gebeuren, juichten de Canadezen  toe en begroetten de  Duitser met hoonge-lach. Het was de laatste van de uit Westdorp verdreven Duitsers die wij zagen.

Twee dagen nadat wij bevrijd waren, kwam Egbert Braam, een schoonzoon van Albertus Meenderman ,die een boerderij had op  Papenvoort, met een bericht over de kiddenkar en de kidde, die de Duitsers van ons hadden gevorderd. Beide zouden, zo had een op de vlucht zijnde Duitse militair hem verteld, zijn achtergelaten in een weiland ergens  tussen Westdorp, Schoonloo en Papenvoort. Wij gingen direct op verkenning uit en vonden kidde en kar al  gauw terug. De kidde was netjes uitgespannen en op de kar lagen allerlei militaire spullen, waaronder munitie en een lange overjas. Ik weet nog dat mijn ouders die jas door middel van een verfbad een andere kleur hebben laten geven. Daarna is deze jas nog gedurende een aantal  winters bij ons op de boerderij in gebruik geweest. Niet vanwege die jas, maar omdat enkele boeren/soldaten uit Beieren, onder voor hen waarschijnlijk moeilijke omstandigheden, toch aan een vriendelijk verzoek van ons hadden voldaan, heb ik, naast vele nare herinneringen aan de Duitse bezetting , ook één positieve gedachte daaraan overgehouden. Kort na de bevrijding werd er door de jeugd van Westdorp en Borger gedurende enkele avonden feest gevierd in het ruim van een schip dat bij de brug tussen beide dorpen lag. Ik herinner mij nog dat de tamelijk luide muziek die tijdens deze avonden gespeeld werd, mij de volgende dag nog lang door het hoofd speelde.

De NSB’ers in het dorp werden door leden van het tijdens de bezetting opgerichte Bin-nenlandse Strijdkrachten gearresteerd en eerst gedurende korte tijd ondergebracht in de openbare lagere school te Borger. Daarna werden ze, in afwachting van hun berechting, al gauw overgebracht naar het Kamp Westerbork. Voor zover het hierbij om boeren ging, werd hen het beheer van hun bedrijven tijdelijk ontnomen .en opgedragen aan van overheidswege aangestelde plaatsvervangers. Bij deze hele gang van zaken  bleek later veel fout te zijn gegaan.

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site wordt beschermd door reCAPTCHA en Google Privacy Policy en Servicevoorwaarden toepassen.

De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.

Auteur: Jan Hof