Omstreeks 1935 dringt het ook tot de Nederlandse regering door, dat neutraal blijven bij een eventuele oorlog niet zal lukken. Bij de vorige grote oorlog 1914-1918 was dat wel gebeurd, maar de oorlogsdreiging vanuit Duitsland werd nu steeds groter.
Het was natuurlijk veel te laat om een gedegen verdediging van heel Nederland te organiseren. Besloten werd om alleen de ‘ Vesting Holland’ te verdedigen. De Vesting Holland besloeg ruwweg de provincies Noord- en Zuid Holland en Utrecht. In de rest van het land zouden alleen zoveel mogelijk vertragende akties worden uitgevoerd. Bekend hiervan zijn bijvoorbeeld: de Maaslinie, de Peel-Raamstelling en vooral de Grebbelinie.
In de drie noordelijke provincies Groningen, Friesland en Drente, zullen ook slechts vertragende akties gevoerd worden, om uiteindelijk bij de Afsluitdijk de vijand definitief te stuiten.
Parallel aan de grens met Duitsland werd een gordel van wachtposten geplaatst in de zogenaamde O-lijn. Wanneer de vijand gesignaleerd werd, moesten de wachtposten alarm slaan en eventueel versperringen aanbrengen. Zij moesten zich vervolgens terugtrekken achter de Q-lijn, die werd gevormd door het Oranjekanaal en vertakkingen daarvan. Op de vitale punten in deze lijn lagen infanteristen in stellingen en waren de bruggen ondermijnd, zodat ze bij nadering van de vijand opgeblazen konden worden.
Wanneer dat gebeurd was, moesten de verdedigers zich op een volgende verdedigingslijn terugtrekken, daar weer de aanval vertragen en weer terugtrekken naar de volgende verdedigingslijn.
Tenslotte zou als laatste verdedigingslijn de Wons-stelling en de stelling bij Kornwederzand in de Afsluitdijk gebruikt worden. De troepen die daarvoor niet nodig waren, zouden via de Afsluitdijk naar de ‘Vesting Holland’ verplaatst worden. Daar zouden zij weer nieuwe posten bemannen.
Dat was in het kort het verdedigingsplan in Noordoost-Nederland. In de praktijk zou het echter allemaal wat anders uitpakken.
Een ‘Bergse Saldaot’ die in die regio bij de strijd was betrokken, was Nol van Oorsouw, hier volgt zijn verhaal.
Nol van Oorsouw werd geboren op 7 december 1916 als zoon van Tinus van Oorsouw en Lena Bimbergen. Zijn ouderlijk huis stond op het Molenveld, de huidige Molenweg. In 1936 wordt Nol opgeroepen om voor zijn ‘nummer’ te dienen. Als dienstplichtig militair wordt hij geplaatst bij de Genietroepen en in de Kromhout kazerne in Utrecht gelegerd.
Nol krijgt een opleiding bij de pioniers voor het plaatsen van explosieven bij bruggen en viaducten om deze in geval van oorlog op te kunnen blazen. De duur van de dienstplicht bedroeg in die tijd negen maanden en in die tijd leerde Nol om te gaan met explosieven, lonten en slaghoedjes. Hij vertelt hierover: “We moesten de slaghoedjes met een speciale tang aan de lonten bevestigen en moesten dat achter onze rug kunnen. Niet alleen omdat we die handigheid moesten hebben, maar ook vanwege de veiligheid. Die slaghoedjes konden namelijk wel eens ontploffen en dat konden ze beter niet in je gezicht doen.”
Na de opleiding verlaat Nol de dienst en gaat weer aan het werk als bouwvakker. In 1939 was hij aan het werk in Veghel aan het kanaal, de Zuid-Willemsvaart. Er werden daar heipalen geslagen en Nol was bezig met ‘koppensnellen’, het op gelijke hoogte brengen van de bovenkanten van de palen. In dat jaar werd de oorlogsdreiging steeds groter. De illusie dat Nederland net als bij de Eerste Wereldoorlog neutraal zou kunnen blijven was al lang vervlogen. Klaar was Nederland er zeker niet voor, door jarenlange bezuinigingen en antimilitaire acties was het defensieapparaat ver beneden de benodigde sterkte.
Tijdens het werk aan het kanaal in Veghel hoort Nol van Oorsouw via een openstaand raam de radio boodschap dat alle militairen met een oorlogsbevel zich moeten melden in hun kazernes. Het is 28 augustus 1939, de mobilisatie is een feit. Nol vertelt: “Toen ik die boodschap had gehoord, maakte ik mijn karwei af en verzamelde mijn gereedschap om te vertrekken. Ik was aan de overkant van het kanaal bezig en wilde vanuit de heibak op het vlot stappen om naar de overkant te gaan. Op dat moment drijft dat vlot weg en val ik met al mijn gereedschap in mijn handen in het water. Ik zou misschien wel verdronken zijn als mijn maat mij niet onmiddellijk nagesprongen was en mijn hoofd boven water hield. Ik had mijn gereedschap nog steeds in mijn handen, ik wilde dat natuurlijk niet verliezen. Al met al ben ik met behulp van mijn maat veilig aan de andere kant gekomen.”
De volgende dag vertrekt Nol naar Utrecht om zich te melden op de Kromhoutkazerne. Daar ontvangt hij nog aanvullende instructies en wordt naar zijn oorlogsbestemming gestuurd, in dit geval de spoorbrug bij Culemborg. Met een paar collega’s van de Genie moet hij die brug ‘springklaar’ maken. Het aanbrengen van de explosieven en lonten neemt enkele weken in beslag, in totaal blijft Nol vier weken in Culemborg.
Vervolgens moet hij zich melden in Assen voor zijn volgende opdracht. Nol wordt naar Borger gestuurd. Daar loopt om het dorp heen een aardappelkanaal, zo genoemd omdat daar veel aardappelen per boot getransporteerd worden. Dit kanaal maakt deel uit van het Oranjekanaal, een deel van de zogenaamde Q-lijn. Omdat het kanaal in een halve cirkel om het dorp heenloopt, zijn er twee ophaalbruggen die ondermijnd moeten worden, aan de oost- en westkant van het dorp. Nol en een paar collega’s blijven bij Borger gelegerd, om in geval van een Duitse aanval de bruggen op te blazen. Ze worden daarvoor in eerste instantie op een boerderij gelegerd, en wat later komen er barrakken. Nol ligt met een maat van de Genie in een barak samen met 15 infanteristen onder leiding van een sergeant bij de brug aan de oostkant van Borger. De infanteristen, die deel uitmaken van 1-36 RI, bemanden een mitrailleursnest bij de brug en Nol en zijn maat van de Genie moesten de brug opblazen als dat nodig bleek.
Op 30 oktober 1939 trouwt Nol met Cisca van der Lee. Eigenlijk hadden ze voorlopig alleen voor de wet willen trouwen, zodat Nol een uitkering kreeg. Maar dat wilden ze thuis niet hebben, het was helemaal, dus ook voor de kerk, of niet. Dus trouwen zij officieel en Nol in militair tenue met een paar van een sergeant geleende laarzen. De uitkering bedroeg nu achttien gulden en een dubbeltje in de week. Als niet getrouwde ontving je een traktement van drie en een halve gulden in de week.
Er volgt nu een periode van afwachten, waarbij natuurlijk veel moet worden wachtgelopen, een taak die volgens Nol van Oorsouw niet door iedereen serieus genomen wordt. Hij vertelt hierover: “Ik was een beetje een dienstklopper, de anderen keken het niet zo nauw met wachtlopen en gingen soms gewoon slapen als ze wacht hadden. Maar ik zag wel in dat wachtlopen noodzakelijk was, ik vertrouwde het niet. Er kwamen ’s nachts vaak Engelse vliegtuigen over, die in Duitsland bombardementen uitvoerden, maar daar raakte je aan gewend.
In de nacht van 9 op 10 mei 1940 liep ik weer wacht, en weer kwamen er vliegtuigen over. Het waren er alleen veel meer dan anders en toen ik op een gegeven moment ook nog ontploffingen hoorde liep ik naar onze barak om de jongens te wekken. Ik zei: “Jongens kom er eens uit want er is iets gaande ze krijgen in Duitsland harde klappen op dit moment.” Je kon je in het donker moeilijk oriënteren, dus ik dacht dat de ontploffingen uit de richting van Duitsland kwamen.
Het is ongeveer 3 uur ’s nachts als alle militairen uit de barak wakker zijn en er zich ook steeds meer burgers op straat begeven. Men merkt wel dat er iets bijzonders aan de hand is. Er klinken steeds meer ontploffingen en Nol vervolgt zijn verhaal:”Ik bel naar de andere kant van het dorp waar bij de andere brug onze commandant een kapitein van de Genie ligt, en vraag hem of zij ook allemaal wakker zijn. Dat zijn ze ook, want ze hebben ook in de gaten dat er iets aan de hand is. Om half vijf hoor ik dat zij aan de andere kant van het dorp de brug opblazen. Ik bel weer op naar die kapitein, Suk heet hij, en vraag of zij inderdaad de brug hebben laten springen. Dat blijkt zo te zijn en als ik vraag wat wij moeten doen zegt hij: “Handel naar eigen inzicht.” We hadden al een keer een Duitse gevechtswagen vlak bij de brug gezien, maar toen onze infanterie enkele schoten loste verdwenen ze weer. Ik vertelde dit aan de kapitein, maar hij herhaalde slechts: “Handel naar eigen inzicht van Oorsouw, want ik kan het van hieruit niet beoordelen.”
Nol gaat nu in overleg met zijn maat van de Genie: “Wat doen we? Zullen we ze ook maar laten springen?” Maar die zei: “Ik doe het niet, ik blijf eraf.” Er wordt wat heen en weer gepraat, maar Nols maat blijft bij zijn besluit, hij doet niet mee. Nol gaat nu naar de sergeant van de infanterie waar de twee Geniemensen bij ingedeeld zijn. “Ik heb contact gehad met de kapitein bij de andere brug, dat heb je wel gehoord, en ik ga de brug opblazen.”
De militairen verdwijnen in de schuilkelder en de burgers die in de buurt van de brug wonen wordt gezegd hun huis te verlaten en dekking te zoeken, want je kan nooit weten wat er gebeurt. Om vijf voor zes ’s morgens op 10 mei laat ik de brug springen. Het was een hefbrug, dus de balans sloeg eraf aan de ‘Duitse’ kant en vormde daar meteen een versperring. Maar de brug was niet helemaal weg. De zware ijzeren liggers waren heel gebleven, alleen het wegdek was weg. Wat nu? Er bevonden zich aan de andere kant wel versperringen in de vorm van putringen met in het midden een spoorstaaf die een eind in de grond zat en volgestort was met beton. Nol overlegt weer met de sergeant: “Wat doen we ermee, als de Duitsers willen kunnen ze met een tank de versperringen opruimen, en dan hoeven ze het dek van de brug maar dicht te leggen en ze kunnen door.” De sergeant was niet erg behulpzaam. Hij zei: “Kijk maar wat je doet, ik ben niet van de Genie.”
Die sergeant was overigens een vreemde kerel, vaak dronken en dan kwamen er Duitse sympathieën tevoorschijn, Nol vertrouwde hem niet helemaal. Dus gaat Nol weer bellen met de kapitein bij de andere brug. Hij legt de situatie uit en zegt erbij dat hij eigenlijk vindt dat de brugleggers ook nog weg moeten om het de Duitsers niet te makkelijk te maken. De kapitein denkt dat de versperringen wel voldoende zullen zijn, maar heeft geen bezwaar als de leggers ook nog opgeblazen worden. Alleen is er geen springstof meer aan deze kant. Nol vraagt of er bij de kapitein nog springstof is. Die is er nog, maar dan moet Nol hem zelf komen halen. Een tochtje van ongeveer 5 kilometer op de fiets met de Duitsers in de buurt.
Nol vertrekt om ongeveer half zeven en haalt zoveel als hij nodig heeft op bij de andere brug. Teruggekomen begint Nol aan het aanbrengen van de springstof. Daarvoor moet hij op de brugliggers gaan liggen, en terwijl hij daar ligt wordt er tot drie keer toe op hem geschoten, de kogels ketsen af op de liggers. Hij heeft niet kunnen zien wie er op hem schoot. Hij heeft op dat moment geen Duitse soldaten gezien, wel was bekend dat er in die buurt vele Duitse sympathisanten en NSB’ers waren, misschien kwamen de schoten daar vandaan. De Genie maat van Nol durfde of wilde niet meewerken en bleef in de barak. Maar elke keer als nol op de leggers lag werd er op hem geschoten, tot drie keer toe dus, en elke keer moest hij weer terug. Dat was zo geen werken en Nol ging hulp vragen bij de infanteristen, en daarvan ging iemand mee om hem te beschermen. Ondanks die moeilijkheden krijgt Nol de springstof en lonten aangelegd en verbonden en om omstreeks kwart over zeven ging ook de rest van de brug de lucht in. En nu definitief, want de leggers vielen in het water.
Nol vertelt verder: “We hebben nog wel een keer een gevechtswagen van de Duitsers bij de oprit gehad, maar die keerden om zonder een schot te lossen. Ze hadden ons waarschijnlijk ook niet gezien want ons mitrailleursnest was goed gecamoufleerd. Verder bleef het die voormiddag rustig en toen we rond de middag zaten te eten, kwam er een oproep dat we ons klaar moesten maken voor transport.
We moesten terug naar de afsluitdijk en van daaruit zouden we naar Engeland gaan. Maar toen we bij de afsluitdijk aankwamen waren daar hevige gevechten gaande. Er hadden zich inmiddels enkele honderden militairen verzameld waar wij zaten met de nodige vrachtwagens, maar we konden niet meer over de afsluitdijk we moesten daar blijven. Daar zijn wij toen gebleven tot zondagavond 12 mei. Overdag is daar, in de omgeving van Gaast nog flink gevochten. Wij hebben daar ook nog een draaibrug over een kanaal laten springen.
Zoals gezegd is daar overdag flink geschoten en er kwamen ook Duitse jagers en bommenwerpers de stellingen bij de afsluitdijk bestoken. Wij konden dat vanaf een afstand goed zien. Maar op een gegeven moment maakt uit een formatie jagers een toestel zich los en duikt al schietend op ons af. Wij stonden met een man of tien bij elkaar te kijken en doken natuurlijk onmiddellijk weg, maar een soldaat werd daar dodelijk getroffen. De schapenwei die langs de weg liep waar wij stonden leek wel omgeploegd en van de schapen was niet veel meer over.
We kregen toch weer opdracht om ons gereed te maken voor een overtocht, maar ook die werd afgeblazen we konden er niet meer door. Om zeven uur ’s avonds op 12 mei kwamen er zoveel Duitse gevechtswagens en manschappen dat we geen kant meer opkonden en we werden krijgsgevangen gemaakt. Onze wapens hebben we zoveel mogelijk onklaar gemaakt, onze karabijnen hebben we kapot geslagen en toen zijn we opgesloten in de plaatselijke kerk tot de volgende morgen.
’s Maandags werden wij in veewagons geladen met ongeveer 50 mensen per wagon en vertrokken we richting Duitsland. Om een uur of tien ’s avonds kwamen we in Neubrandenburg aan waar een krijgsgevangenkamp was. We hadden sinds we in de kerk opgesloten werden niets meer te eten of te drinken gehad en het was behoorlijk heet dus de dorst was het ergste. Het kamp was overigens nog lang niet klaar dat waren ze nog volop aan het bouwen. Daar kregen we het eerste eten, twee pellkartoffeln en een bakje koolsoep met een stukje kuch. De eerste nacht hebben we buiten gebivakkeerd want ze konden ons niet plaatsen.
De volgende dag werden we in barakken geplaatst en daarin hadden we kribben met los stro, zonder deken of iets. Elke morgen appel en om een uur of tien begon het uitdelen van het eten en het duurde wel een uur of vier voordat je je twee ongeschilde gekookte aardappels en je bakje koolsoep met kuch had. Dat ging elke dag zo en heeft enkele weken geduurd.
Op een gegeven moment vroegen ze bouwvakkers voor het bouwen van de barakken. Je kreeg dan een dubbele portie eten en dat was natuurlijk aantrekkelijk. Er was daar een jongen uit Limburg die was ook bouwvakker en ik vroeg hem wat hij deed. Hij zei:”Ik ga niet voor die lui werken. En jij?” Ik zei;”Ik ook niet we zullen maar net als de anderen honger lijden.” Als ze krijgsgevangenen wilden maken moesten ze ook maar zorgen dat ze plaats hadden. De hele dag had je behalve eten halen en appel niets te doen. Je bleef dan veel in de barak, omdat het buiten erg heet was en het drinkwater op rantsoen. Onze veldflessen hebben we trouwens meteen toen we krijgsgevangen gemaakt werden af moeten geven.
Je had natuurlijk wel altijd honger en op een dag had ik weer enkele uren in de rij gestaan voor mijn eten en ik dacht ik probeer het nog een keer. Ik dacht dat niemand het gezien had dat ik voor de tweede keer was en ik was bijna aan de beurt toen ik een enorme stomp met de kolf van een geweer in mijn rug kreeg. Ik viel op de grond en kon niet meer lopen zo hard had hij geslagen. Ik zie die vent nog zo voor me. Ze lieten mij ook zo liggen tot een paar andere krijgsgevangenen mij naar de barak droegen. Daar heb ik enkele dagen gelegen en kreeg geen eten. Ik was afhankelijk van wat andere krijgsgevangenen uit hun eigen mond spaarden.
Er waren daar ook Belgen en Fransen en elke dag weer appel waarop steeds werd gezegd dat de Hollanders spoedig naar “der Heimat”, naar huis mochten. Maar we hebben er uiteindelijk zeven weken gezeten tot we in juli eindelijk naar huis gingen. Met de trein gingen we naar Utrecht en daar zijn we ook weer een dag of zo geweest, want alles moest geregistreerd worden. Wie er wel was en wie niet, waar je geweest was enzovoort. De hele administratie was een grote bende want alles was vernietigd in de oorlogsdagen.
De volgende dag mochten we naar huis en het zat er voor ons op. Toen ik een paar dagen thuis was kwam veldwachter Van de Pol om op te nemen hoe het gegaan was en of ik eventuele schade had. Hij had alles genoteerd toen ik bedacht dat ik iets vergeten was. Ik had namelijk toen we in Borger waren en daar weg moesten, mijn gereedschapskist achter gelaten. Die had ik meegenomen om wat aan de barak te doen, ik had tussen het wachtlopen toch tijd zat en ik meende dat ik moest timmeren. Ik vertel dit tegen Van de Pol en hij vraagt wat de waarde was. Wat ik in die kist had zitten was voor ongeveer honderd gulden, voor die tijd een heel bedrag. Maar de veldwachter wuift dit weg en zegt dat ik niet voor vergoeding in aanmerking kom. Waarschijnlijk alleen omdat hij zijn rapport al opgemaakt had toen ik het meldde want ik heb later van anderen gehoord dat zij verloren spullen wel vergoed kregen.”
0 reacties