Manege Borger

Gien en de manege

Het begin van de paardensport-activiteiten

Naast haar werkzaamheden voor het gezin van Hendrik Smeenge was Gien ook erg betrokken bij het aannemersbedrijf, controleerde ze de leveringen van en aan het bedrijf en hielp ze daar een handje mee. Haar liefde voor de paardensport bleef en steeds sterker werd de wens om daar activiteiten in te ontwikkelen. In 1946 pakte ze de draad op en richtte ze een Rijvereniging op onder de naam “De Hondsrugruiters”. Politieagent Van Aalderen was de instructeur. Er werd gereden op een omheind terrein tegen het Pdenbos aan achter het Bouwbedrijf van Smeenge en in de “Klonie”[1], op een heideveld aan de Westdorperstraat naast de boerderij van Willem Hoving. Onder de leden bevonden zich Tammo Vos, het echtpaar Lansing, Jan Berends (uit Bronneger) en Beerman. Een aantal jaren later sloot men zich aan bij de Federatie van Landelijke Rijverenigingen onder de naam LR Oostermoer.

Een van de leden waar Gien een hechte vriendschap mee had was Jan Berends, die opgroeide bij de familie Dilling in Bronneger. De vereniging escorteerde bijvoorbeeld in 1954 het bruidspaar Berends op weg naar de trouwzaal. Jan Berends was later nog veel jaren in de manege een vaste kracht bij tal van activiteiten, het mennen van aangespannen paarden en pony’s voor wagen en arrenslee en het begeleiden van jachtritten.  

Eind jaren 40 begon Gien Smeenge met het fokken van paarden. Haar eerste zelfgefokte paard kwam in 1952 ter wereld en kreeg de naam Pauke Pride. Een paard waar ze terecht trots op was en waar ze ook veel successen mee behaalde.

Op 4 oktober 1958 overleed Hendrik Smeenge aan de gevolgen van een verkeersongeval de dag ervoor. Hij was met zijn auto in de tramrails geraakt, geslipt en de controle over het stuur kwijtgeraakt. Zijn medepassagier overleed ter plaatse. Voor Gien Smeenge was dat een nieuwe fase in haar leven. Zoon Geu had inmiddels de dagelijkse leiding van het bouwbedrijf, maar Gien bleef aan het hoofd staan bij het nemen van beslissingen. In die periode was ze al begonnen met de uitvoering van het plan een manege te beginnen. Dat vond eerst aan huis bij het bouwbedrijf plaats, waar ze stallen had en waar voornamelijk aan jongeren de beginselen van de paardensport werd bijgebracht. Het was niet alleen de rijkunst waar het Gien Smeenge om ging, maar vooral de liefde voor het edele dier en de sport. Eenmaal in aanraking gekomen met Gien Smeenge en haar paarden/pony’s waren de jonge ruiters en amazones er niet meer weg te slaan.

Door haar bezoeken in binnen- en buitenland kende ze veel mensen die in de paardensport wat in de melk te brokkelen hadden. Zo gebeurde het dat Gien Smeenge en haar ponygroep eind jaren 50 werden uitgenodigd om een demonstratie te geven op het grote internationale concours hippique van Rotterdam in de Kralingse Bossen. Daar bleef het niet bij. Ze werd gevraagd om diverse evenementen luister bij te zetten. Door deze landelijke bekendheid kwamen mensen overal vandaan om in Borger les te krijgen. Ook organiseerde Gien Smeenge al vanaf 1959 ponykampen in de zomer. Ze had daarvoor slaapgelegenheid gecreëerd bij het aannemersbedrijf en afspraken gemaakt met Hotel Bieze over het diner, dat in de serre van het restaurant plaatsvond. De ruitertjes moesten netjes gekleed aan tafel verschijnen van dit chique hotel.


[1] Een buurtschap bij Westdorp

Een eigen manege

In 1960 kwam Gien Smeenge in het bezit van een boerderij aan de Hoofdstraat op de T-splitsing met de Hunebedstraat. Dit pand zou uitgroeien tot één van de meest vooraanstaande paardensportcentra in het Noorden. De boerderij was door de Ruilverkaveling aan de landbouw onttrokken, werd verbouwd en uitgebreid met een binnenmanege. Het was de eerste overdekte manege in de provincie Drenthe. In de naastgelegen boerderij woonde Jan Wiering, de voorman van het bouwbedrijf Smeenge. In die boerderij werden ook stallen ingericht. Op 28 december 1960 werd de manege officieel in gebruik genomen en geopend door Burgemeester Grolleman te paard. De accommodatie werd onmiddellijk ter beschikking gesteld aan de Drentse afdeling van de Federatie van Landelijke Rijverenigingen die daar een 4-daags concours organiseerde.

Gien Smeenge kon nu haar droom waarmaken en zich volledig uitleven in de haar zo geliefde paardensport. In Borger vonden ze haar wel bijzonder; Gien was nogal excentriek door uitsluitend rijkleding te dragen, zich voort te bewegen in een grote Amerikaanse auto (een Chevrolet) en sigaren te roken. Ze had een ietwat waggelende gang met haar o-benen, maar was iemand die respect afdwong. Door haar betrokkenheid bij het bouwbedrijf kon ze veel dingen regelen. Ze had haar eigen manier van zakendoen, veelal met gesloten beurs. Het aannemersbedrijf Smeenge was overigens de grote investeerder in de manege.

Ondertussen was het aantal paarden en pony’s toegenomen, evenals het aantal mensen dat er gebruik van maakte. Er moest dus hulp komen. Een van de eerste mensen in dienst van de manege was de 16-jarige Harry Kok uit de Oosterboer bij Meppel. Harry was een echte paardenman, met hart voor het dier en aandacht voor de mens. Hij had een drukke baan, want naast het verzorgen van de paarden (uitmesten van stallen, schoonhouden en het gereedmaken van de paarden voor het rijden) gaf hij ook les. Na een aantal jaren vertrok Harry – tot spijt van veel manegebezoekers, maar de financiële beloning was gering en het aantal werkuren enorm – om voor zichzelf te beginnen als hoefsmid. Na Harry volgden nog veel stalmedewerkers.

Het “Paardensportcentrum De Hondsrug” aan de Hoofdstraat 2 en 4 in Borger komt vanaf de start tot grote bloei. Gien Smeenge heeft ondertussen een groot aantal paarden en pony’s aangeschaft en er komen steeds meer bij. Caféhouder/paardenhandelaar Teun Jonker uit Ruinerwold wordt de vertrouwensman en leverancier van paarden die vooral uit het buitenland komen.

Een ander persoon die nauw verbonden was aan de manege is Maarten de Vries, de hoefsmid. De hoeven van de paarden werden in eerste instantie verzorgd door smederij Zomers in Borger. Toen de smederij met dit onderdeel stopte kwam mevrouw Smeenge in contact met Maarten de Vries uit Gasselternijveen, die vervolgens gedurende een groot aantal jaren regelmatig op de manege kwam om de paarden te bekappen en van hoefijzers te voorzien. Maarten was een man die zijn vak verstond; hij verzorgde niet alleen het regelmatig onderhoud aan de hoeven, maar loste ook problemen op bij paarden die wat slechter gingen lopen. Het plaatsen van de hoefijzers werd daarbij aangepast. Maarten was een prachtig mens, goedlachs en vol humor. Bij het manege-elftal had hij de taak van coach en kreeg de (bij-)naam Maarten “Michappels”. Zijn zoon Wim kwam vaak mee naar de manege.

De familie Venema

In 1965 verhuisde voorman Jan Wiering naar het nieuwe huis dat hij had laten bouwen. De familie Venema ging vanaf dat moment in het pand naast de manege wonen. Appie (Albertina) Venema (18 mei 1919) was de zuster van Gien Smeenge, haar man Jan Venema werkte bij Udema in Gieten. Van hun kinderen verliet Harm in 1967 het huis toen hij met Janke Dolfing trouwde. Harm werkte sinds zijn 15e bij het bouwbedrijf Smeenge en had niet veel op met paarden. De andere kinderen Arend, Geesje en Jan wel. Zij waren regelmatig bij de paarden te vinden. Het gezin Venema betaalde geen huur; daarvoor in de plaats werden er op de manege werkzaamheden verricht.

Moeder Venema zorgde voor het eten, deed de was en de afwas en zorgde voor de schoonmaak. Hoewel zoon Arend fulltime werkte bij het metaalbedrijf Kemker en Rinsema in Assen, stak hij in zijn vrije tijd op de manege ook de handen uit de mouwen. Hij hielp bij het voeren van de paarden en deed ’s avonds nog een rondje stallen. Dat vond hij niet altijd prettig, want als Arend bij zijn verkering en latere echtgenote Geesje Tingen was, moest hij om 11 uur ’s avonds terug naar de manege. Tante Gien kende geen pardon: de paarden gingen voor het meisje. Arend en Geesje beleefden wel veel plezier in het rijden op de paarden van tante Gien.

Dochter Geesje reed paard, maar was ook regelmatig op de manege om daar te helpen. De jongste zoon Jan hielp in de vakanties en weekends mee in de stallen en reed ook gasten rond met de kleine ondeugende pony Jozef voor de huifkar. Jan kende de weg én Jozef. Dat laatste was ook wel nodig. Het kwam wel eens voor dat mensen die een huifkartocht boekten, zelf op weg gingen met de huifkar, maar binnen de kortste keren weer voor de deur van de manege stonden. De route ging via de Hunebedstraat – Lemmerstraat – einde weg linksaf over een zandweg, waarna de Drouwenerstraat moest worden overgestoken richting de ruilverkaveling en bossen van Drouwen. Jozef dacht daar dan anders over en ging bij de Drouwenerstraat linksaf richting manege; men moest van goede huize komen om hem van die gedachte af te brengen.

Moeder Venema was een lieve vrouw. Ze stond altijd klaar om in de manege te werken, maar was ook steun en toeverlaat van de jonge ruiters en amazones als Gien Smeenge hen weer eens de kast had uitgeveegd. Bewonderenswaardig was haar houding ten opzichte van haar zuster. Ze was een van de weinigen die Gien Smeenge van repliek kon en durfde te dienen. Gien had daar dan ook wel weer respect voor. In de jaren die volgden verliet Geesje het ouderlijk huis en ging een opleiding tot verpleegkundige volgen in Den Haag. Jan ging na zijn opleiding als bakker bij Bakkerij Zwiers in Gasselternijveen werken. Hij bleef echter zijn vrije tijd in de manege doorbrengen. In 1973 verruilde de familie Venema de boerderij naast het Paardensportcentrum voor een huis aan de Markestraat in Borger. In de boerderij kwamen slaapvertrekken voor de jongeren die in de weekends ’s nachts overbleven en voor de deelnemers aan de ponykampen.

Bloei en groei van de manege

In de jaren die volgden maakte de manege een grote bloei door. Het aantal mensen dat paard of pony wilde rijden groeide gestaag, evenals het aantal dieren dat de stallen bevolkte. Er moest dus extra stalruimte bijkomen. Van de Gemeente kreeg Gien Smeenge de beschikking over een boerderij tegenover de manege op de hoek van de Hoofdstraat/Ambachtstraat en naast de latere Museumboerderij waar dichter/schrijver/schilder Hans Heyting woonde.

Mevrouw Smeenge bleef actief op het front van evenementen, of het nu demonstraties waren, wedstrijden die ze zelf organiseerde of haar paarden en pony’s aan wedstrijden in andere plaatsen liet deelnemen. Ze was initiatiefnemer met het organiseren van ponyconcoursen en jachtritten.

De manege van mevrouw Smeenge werd door veel bekende mensen bezocht. Door haar connecties was ze in binnen- en buitenland bekend en gaf ze demonstraties met haar groep op grote concoursen, zoals Aken en Rotterdam. Op de wedstrijd in Aken leert ze Hans Günther Winkler kennen, winnaar van Europese-, Wereld- en Olympische springtitels.

De kwaliteit van de paarden, pony’s en instructie was gerenommeerd. Reden voor velen om te komen rijden als ze in de buurt van Borger waren. De bekende pantomimespeler Rob van Reyn kwam regelmatig langsIn 1972 komt Gien Smeenge in contact met Willy van Hemert en zijn toenmalige vrouw Caroline Kaart. Van Hemert is in Drenthe voor de opnames van de tv-serie Bartje en ontmoet en passant mevrouw Smeenge. Zij adviseert hem ook over geschikte locaties voor opnames. Caroline Kaart heeft paardrijden als hobby en gaat een aantal keren naar de manege van Gien Smeenge voor een buitenrit als haar man in Drenthe is. De museumboerderij tegenover de manege was overigens het decor voor een deel van de opnames van Bartje.

Frédérique Spigt was nog geen bekende Nederlandse artiest toen zij in Borger kwam rijden, maar haar moeder had wel een neus voor kwaliteit. Vanuit Rotterdam kwamen zij naar Borger om daar rijles te krijgen in de beste manege van Nederland. Ik het boek “Herinneringen aan het Paardensportcentrum De Hondsrug” is een prachtig verhaal van Frédérique opgenomen.