16 augustus 2009
Mijn herinneringen aan de bevrijding staan me nog helder voor de geest. Die heb ik beleefd op 12 april 1945. In de kelder bij de Familie Smeenge in de Ambachtstraat in Borger. Wij waren, mijn broer Jan en ik uitgezonden vanuit Rotterdam in verband met de hongersnood. Ik was te gast bij oom Piet en tante Jantje en mijn broer Jan was bij Jan en Betty. Wij zijn er ongeveer 6 weken geweest en het was geweldig. Er was veel contact met meisjes van mijn leeftijd toen o.a. Dina Trip, Willy Koopman en Henny Rosing. Ook was er regelmatig contact met de Fam Takens. Die stonden onlangs nog in een editie van de Zwerfsteen. Dan is er ook nog de Familie Pomp, mij ook niet onbekend, want in 1944 zijn mijn broer en ik in Ees geweest bij de Familie Nijhof, dat was familie van Anne Pomp Hendriks, waar ik in Nieuw-Buinen ook op bezoek ben geweest.
Dat waren tijden die ik niet gauw zal vergeten. Inmiddels ben ik de leeftijd van 78 gepasseerd en weet ik van deze tijd nog heel veel. Ik hoop dat dit stukje word geplaatst in de Zwerfsteen, ik ben al enkele jaren donateur van dit blad. En hoop er nog vele jaren van te mogen genieten.
Alie Bosman-Schenkel
Goor
Zeewolde 4.03.2009.
Naar aanleiding van de foto van Herman Dalsheim uit de Zwerfsteen 3.2007.herinner ik mij een voorval. Het was een warme Zondagmiddag, wanneer precies weet ik niet meer. Wij zaten buiten op de bank, Otie Trip, papa, mama, broer Harm, zus Dina en ik zelf Geesje. Op een gegeven ogenblik kreeg ik van mama een koekjestrommel met geld erin.Ik mocht bij Roelof Diemer (Bassie Appel) bij ons in de Koesteeg 6 ijsjes halen.Roelof had een kruidenierswinkel met ijs verkoop. Op die plek is nu een ijszaak. Het was altijd een traktatie als we op de Zondagmiddag een ijsje kregen.
Na enige tijd zei mama, omdat dit de laatste Zondag is dat er ijs wordt verkocht, mag Harm bij Gradus Kuiper ook ijs halen. Kuiper woonde bij bakker Jager aan de Hoofdstraat om de hoek.Hij had een grote bakfiets voor het huis staan met een hele grote zadel en een hele grote bel op het stuur. Ik ging met Harm mee en vroeg, waarom is er geen ijs meer? Harm zei, omdat het oorlog is. Komen er dan ook geen vliegtuigen meer? Doodsbang was ik voor de vliegtuigen. Mama zei altijd, Geesje hoort ze in Engeland al op stijgen. Dat had er volgens Harm niks mee te maken. Bij de bakfiets stonden veel grote jongens ruzie te maken, wie er op het zadel mocht zitten. Gradus Kuiper begon het te vervelen en zei met krakende stem, deze beide jongens hier, mogen de hele middag op de bakfiets zitten, en nu geen praatjes meer. Aan Harm vroeg ik, waarom mogen die beide jongens alleen op die bakfiets? Harm zei, het bint Jeudenjongens daarom. De toon waarop Harm het zei maakte indruk, maar ik begreep niet waarom. Bij het zien van de foto, wist ik dat is één van de jongens op de bakfiets van Gradus Kuiper.
Geesje Dubbelboer Trip
Haren, 19 augustus, 2008.
Wat herinner ik me van de oorlog en speciaal het laatste jaar. Ik woonde met mijn ouders “in“ bij Beppe (van der Meer) aan de hoofdstraat, tussen twee onderwijzeressen, juf Boswijck (van Rosendael) en juf Admiraal. Mijn vader werkte op het distributiekantoor achter of naast Bieze. Tegenover ons woonde Albert Hilbrands. Wij gingen regelmatig gluren in de kadaverbak, die aan de Westdorperweg lag om te zien of er dooie beesten in lagen. Op zekere dag zagen broer Sies en Albert er een man met een motor in staan. Ik weet niet meer of ik er bij was of alleen het verhaal gehoord heb van Sies. De jongens vertelden het aan de vader van Albert. De volgende dag was de man verdwenen. Wie weet hier-van meer?
De laatste oorlogsdag herinner ik me als volgt. We zaten in de kelder. Het werd blikbaar te gevaarlijk, want we moesten het huis uit. De brug over het kanaal was een gevechtsplaats. De laatste vóór Groningen. Beppe werd op een karre-tje gezet en wij gingen achter het dorp langs, bukkend voor de kogels (volgens mijn herinne-ring, of is het fantasie?) We belandden bij café Hooiveld aan de andere kant van het dorp, bij Jan en Jo. Daar kregen we karnemelkse pap.
De volgende dag zaten we vóór het café onze bevrijders op te wachten. Ik was 6 jaar.
Janna Thomas-Lanting
Verhaal van mevr. Kolthof-De Poel over oorlog en bevrijding in Borger
Bevrijding.
Vroeger woonde ik aan de Bronnegerstraat in Borger. Het was net voor de bevrijding dat de Duitsers paarden en wagens gingen vorderen bij ons aan de straat. Ons paard stond ’s middags nog op stal. We hoopten dat ze hem vergaten.Maar er was iemand aan de straat en die zei tegen de Duitsers: jullie moeten naar de Poel gaan, die heeft nog een paard op stal. Het was middag en we zaten te eten. mijn vader en moeder, mijn broers en ik. Opeens vloog de voordeur open en kwamen er 2 Duitsers binnen met geweer in aanslag. We schrokken ons naar. Wij moeten het paard en wagen, zeiden ze. Mijn broer Harke ging mee naar buiten om het paard aan te spannen en daar gingen de Duitsers met ons paard en wagen.De volgende dag toen we naar de Drouwenerstraat keken zagen we een grote colonne paarden en ons paard liep er tussen met een zwaar kanon achter zich. De Duitsers waren op de vlucht. Volgende morgen hoorden we dat er Canadezen met tanks op de Buinerstraat waren gezien. Het duurde niet lang of de granaten vlogen over ons huis achter de Duitsers aan. Wij allemaal in de kelder, we hebben daar 3 uur gezeten terwijl de Duitsers bij ons huis langs renden naar het bos achter ons land. 3 uur lang vlogen de granaten over ons huis. Toen was het ineens stil en voorzichtig ging iemand van ons buiten kijken, maar de Duitsers waren weg. We waren bevrijd. ‘s avonds gingen mijn vriend Jan en ik het dorp in. Op het schoolplein was een grote kring van mensen die al opgepakt waren, meisjes die met Duitsers waren gegaan werd hun hoofd kaalgeschoren. De Canadezen gaven een feestavond in hotel Bieze. Alle meisjes mochten er met hun vriend naar toe, maar dan moesten ze een extra meisje meenemen. Jan en ik gingen er heen met een meisje uit Bronneger. Het was een prachtige avond. Met muziek van de Canadezen konden we dansen zoveel we wilden en we werden getracteerd ook, ik herinner mij nog het Canadese wit-brood, dat waren we niet meer gewend.
Bij mij thuis waren ze ongerust over ’t paard. Mijn broer Harke ging met een man uit de buurt op de fiets naar het Groninger land. Daar werden ze gewaar dat er paarden in Delfzijl liepen. Ons paard liep er bij. Onze wagen vonden ze ook nog terug. Na een lange reis kwam Harke met paard en wagen weer thuis.
Dit verhaal heeft mevr. Kolthof denkelijk een keer ingezonden naar het Dagblad van het Noorden, want in een artikel van Theo Koopman onder de rubriek: Het verhaal van onze lezers wordt naar dit artikel verwezen: Twee Duitsers met het geweer in de aanslag stormden naar binnen en ook wordt ze met name (Engeltje de Poel) genoemd.
Mevr. E. Kolthof- De Poel is geboren 5 oktober 1921 en woont op 6 april 2008 in het Verzorgingstehuis Westerburcht in Zuidhom. In Borger woonde ze op het adres Bronnegerstraat A. 121 (boerderij is afgebroken.en vervangen door nieuwbouw)
Jan Eising Azn
Winschoten
Huiszoeking naar mijn broer, eind 1943
of begin 1944, weet ik niet meer… Ik was zelf 9 of 10 jaar.
Sliep in de bedstee. Een brandwachter met geweer boog over mij heen of er daar ook iemand lag (ik vergeet dit nooit weer). De bekende landwachters stonden buiten.
Op 18 sept. 1944 is mijn broer doodgeschoten op het Zeijerveld. Zijn laatste woorden moeten geweest zijn “Leve de koningin.” Mijn vader is heel wat gevangenissen bij langs geweest. Steeds vertelden ze dat hij weer ergens anders was.(Assen, Schortingshuis Groningen, Delfzijl). Mijn broer was toen al dood. Hij werd begraven in Vries, samen met Bijleveld uit Varseveld. Pas in ong. april wisten wij dat hij niet meer leefde. In mei 1945 is hij met militaire eer herbegraven in Borger.
5 April 1945. Duitsers lagen bij de brug die in 1940 was opgeblazen. De dagen ervoor kwamen ze bij ons om eieren. Een oudere Duitse soldaat streek mij over het haar en zei, dat hij ook zo’n meisje in Duitsland had. Het was alle dagen prachtig weer, maar sliepen ’s nachts met de kleren aan. Het spookte nog al eens in de vorm van mensen die hard wegliepen en soms werd er gescho-ten. In de nacht van 7 op 8 april, was het goed raak. We mochten niet naar buiten, konden dus niets zien. De volgende dag om ong. 10 uur liepen soldaten af en aan. Ze vonden munitie in aardappel-hopen en onder stro en rangen. Het was verstopt door geallieerden en parachutisten. Mijn vader en zwager R. Hoving werden opgehaald en moesten met de handen omhoog tegen de muur staan. Achter het huis en in de schuur gingen ze zoeken naar kogels. Ze vonden gelukkig niks, anders waren ze alle twee doodgeschoten. Voor het huis vond ik met mijn buurmeisje een condoom. (wisten wij veel.) Van mijn moeder die hem weggooide mochten wij hem niet houden. Wij vonden het net een ballon.
Wij speelden elke dag buiten.
Op 12 april was de bevrijding, de Poolse soldaten liepen in een rij langs het kanaal. Een boerderij en brugwachterswoning werd in brand geschoten. Bij ons vlogen de kogels ook door het dak. De gaten hebben jaren in het asfalt gezeten. Dat ons huis niet afgebrand is, hadden wij te danken aan een onderduiker, de heer Amsing uit Assen (was toen in Eesergroen ondergedoken) daarvandaan zijn de huizen in brand geschoten.
Dit blijft mijn hele leven bij mij en hoop het nooit weer mee te maken.
B. Hilbrands Oosting
Het was 1938/39 dat mijn vader in Borger in de mobilisatie gelegerd was
Toen 30 jaar oud. (16-01-1909 – domicilie Nieuweschans). Eerder was hij bij de Moerdijk gelegerd vandaar uit naar Kornwerderzand, vervolgens naar Borger. Ik was toen 2 jaar. In die periode in Borger heeft hij veel foto’s gemaakt o.a. van Roelf Zomers, ook verleende min vader daar hand- en spandiensten. Hij was smid van beroep.
Op de fiets moesten de soldaten naar hun respectievelijke woonsteden, uit overlevering van mijn vader, fietsten ze van Borger naar Stadskanaal, Onstwedde, Bellingwolde, Nieuweschans. Zijn 3 metgezellen sloegen bij Wedde links af richting Winschoten, Finsterwolde , Oostwold en dan Siddeburen. H. Tuin moest naar Finsterwolde, W. de Wit naar Oostwold en Reker naar Siddeburen. Tuin was timmerman, De Wit had een timmerbedrijf.
Wel weet ik nog als mij vader thuiskwam dat ik bang voor hem was, zodra hij in burger was, was het papa, waarschijnlijk was ik anti-leger.
Van het verdere verloop weet ik niet veel meer. Alleen dat wij later als familie nog naar de familie Wenning gingen, destijds wonende aan de Eeserstraat.
Ik heb later in Nieuweschans gewoond en heb een opleiding als kleermaker genoten. Mijn vader vertelde vaak over de periode in Borger en Moerdijk
Hij is op 10 juli 1974 overleden, net 65 jaar.
H.J. Kloek
Groningen
1945, de laatste bezettingsjaar, zoals ik, ondergetekende die heeft beleefd.
Mijn oom in Buinen deed een verzoek om hem mee te helpen koren te maaien, dat gebeurde nog met de zeis, schoven maken, binden en dan ophokken. Het was erg warm, het water wat in de kruik mee genomen was, waar een beetje azijn in kwam, was snel op, daarom werd ik er op uit gestuurd naar ik meen boer Fokkens op de bult om water te halen, die hadden een diepe put met helder en koel water. Op de weg er naar toe kwam er een Duitse herder op mij af en blafte luid, waarop een Duitse soldaat opdook en hem terug riep, dan ontdekte ik dat daar een bunker stond in de bosjes. Na het water geput te hebben weer terug naar ons werk. Een paar weken later kom ik bij de familie H., die in onze overgrootvaders huis wonen, dat die herder daar op de koestal liep en in verwachting was en later 4 jongen had geworpen, waar wij ook één van kregen. Wij noemden hem Benno. Waarom was de herder daar achter gelaten? Ik kwam er achter dat er in de voorkamer een oud Oma van Duitse afkomst zat, en daar woonde. Verder hoe en wat heb ik mij niet in verdiept. Wel heb ik van haar nog een foto waar zij opstaat met mevr. H. en dochter. Toen ik de herder daar gezien had, begreep ik dat de bunker leeg moest zijn, mijn vriend en ik er op af. Wij kwamen binnen door de ijzeren deur, er lag alleen maar zand, toch naar binnen waar onder het zand een mooi kist lag met 2 pakken, in de kist zaten allemaal miniatuur vliegtuigjes, die namen wij mee en droegen ze op onze jas. Iedereen wilde weten hoe wij daar aan kwamen. Zelf gemaakt van de botten van de slager, zeiden wij, die heeft later een briefje op de deur moeten plakken: geen botten te krijgen. Die 2 pakken met laarzen er aan trokken wij aan en konden zo door groot diep lopen zonder nat te worden, maar je kon er ook mee de sloot in om bramen te plukken waar je anders niet bij kon, niet in de gaten dat er ook stekels onder water zaten en het niet lang duurde dat je natte voeten had en de pakken waardeloos werden. De Duitsers hadden het moeilijk om zich terug te trekken zonder goed vervoer. Er kwamen op een middag landbouwers ik meen uit Eeserveen met paard en kar achter ons huis met levensmiddelen, koffie, koek en ook grote servelaatworsten, die moesten overgepakt worden op de wagens van landbouwers uit onze omgeving. Ik zag kans één onder de kar te gooiwen, ze hadden het niet gemerkt, haastig maar en ze weer verder tot aan Annerveen, daar nam een andere ploeg het weer over. De volgende komen er weI 100 Duitsers op Gazellefietsen zonder banden bij ons huis en doken in de kapschuur, want de Engelse jagers zaten in de lucht. Toen het gevaar voorbij was trokken ze verder om bij de mensen te stelen wat ze konden gebruiken, richting Stadskanaal. Het laatste wat wij ontdekten was wel een vrachtauto vol munitie aan de rand van het bos in Exloo waar die Theehuis staat, dat zullen er zeker wel meer zijn, die dat gezien hebben. Wij namen elk 10 kogels mee van een mitrailleur en een soort stopverf (wat het precies was wisten wij niet, wel dat het goed wilde branden) Op de terugweg naar huis maakten wij een dunne sliert, stopten een kogel in de grond en gingen aan de kant van de sloot zitten. De sliert aangestoken die boven de slaghoedje uitkwam, een knal en de huls kon je niet meer zien. Zo hoog ging het. Zo hebben wij ze alle 10 opgemaakt. Dat was zo het één en ander de laatste oorlogsjaar
Notitie van dhr. R. Middeljans
Krommenie
DE DAG NA DE BEVRIJDING
In het Dagblad v/h Noorden werd gevraagd,of er nog mensen waren, die een belevenis van de bevrijding van Borger konden vertellen. Gaarne wil ik gehoor geven aan deze oproep.
Op 12 April 1945 s middags om 12 uur vloog de Eeserbrug de lucht in. Wij doken de kelder in. De beschieting, die daar op volgde duurde 5 uur. Toen werden we bevrijd door de Polen.
De volgende dag ging ik met een kennis de ravage bekijken, die de beschietingen hadden aangericht. Ik had een fototoestel, een oud boxje,en nog een goede film. Zodoende kon ik 8 foto’s maken van 6×9 cm. Ik maakte foto’s van de kapot geschoten huizen, o.a.van het huis van de burgemeester, dat helemaal was afgebrand. Bij de wrakstukken van de Eeserbrug maakte ik een foto van een Bren-carrier. (Deze foto is ook gebruikt voor de omslag van een eerdere publicatie). Over de kanaaldijk liepen we richting Westdorp tot aan het oude voetbalveld. Hier lag een boot. De schipper van deze boot was de dag er voor zonder enige reden door de moffen dood geschoten. Toen ik er langs liep kwam de zoon van de schipper naar mij toe en vroeg of ik een foto van zijn dode vader wilde maken. Ze hadden namelijk helemaal geen foto van hem.
De schipper lag op het dek onder een laken.De zoon deed het laken opzij en deed nog even het boordeknoopje dicht. En ik maakte de foto. Toen de foto’s klaar waren, was de boot met de zoon weg. Ik heb de foto toen naar Assen gebracht,naar zijn familie. Het zien van deze dode man en het maken van een foto hier van heeft diepe indruk op mij gemaakt. Ik was toen 18 jaar.
Als wij het over de bevrijding van Borger hebben komt dit beeld altijd weer terug.
Max Koornstra
0 reacties