Op 10 mei was mijn nicht Geesje jarig. In 1940 werd ze 6 jaar en ’s morgens mocht ik vanuit de Hunebedstraat achterop de fiets bij mijn vader naar haar toe. Het werd een korte vreugde, want aan de Hoofdstraat bij de boerderij waarin Geesje met haar ouders woonde (waarin later het hunebedmuseum was ondergebracht) was veel geloop van volk. De vraag, die iedereen bezig hield, was of de Duitsers al in aantocht waren. ’s Morgens in alle vroegte hadden onze eigen soldaten de bruggen al in de lucht laten vliegen, maar ze zouden er nu wel gauw zijn en daarom moest ik (terwijl ik nog bijna niets had gehad aan snoep e.d.) al weer snel terug bij vader achterop. Dat was geen mooie dag voor een jongetje van amper 6 jaar en dat blijft je dan lang bij.
Daarna kwam vijf jaar van oorlog en als kind beleef je dat op je eigen manier. Oom Jan Hoiting uit Drouwen was destijds soldaat in het Nederlandse leger. Als hij in de mobilisatietijd na verlof terug moest naar de kazerne, kwam hij op de fiets uit Drouwen naar Borger en stalde dan de fiets bij mijn ouders aan de Hunebedstraat, waarna hij per bus de reis vervolgde. Zo stond zijn fiets ook op hem te wachten na de capitulatie in mei 1940. De ongerustheid over zijn lot nam toe, toen enige andere soldaten al weer teruggekeerd waren, maar gelukkig stond oom Jan zo op een dag ook weer bij moeder voor de deur, heel erg vermoeid, vies en ongeschoren. Hij had het bombardement van Rotterdam meegemaakt en dat was hem niet in de koude kleren gaan zitten. Moeder wilde niet, dat hij in die toestand meteen op de fiets doorging naar zijn ouders en verplichtte hem zich eerst behoorlijk op te knappen.
Nooit zal ik ook die morgen vergeten, dat de vrouwen in de Hunebedstraat bij elkaar stonden met tranen in de ogen: ze hadden ’s nachts de joden opgehaald. Wat zou er van hen worden? Buurvrouw Wolf had een van de joodse vrouwen op de brink nog horen jammeren: ”Benjamin Benjamin, wat zal er van ons worden?”. Pas ver na de oorlog hoorde ik van Jabob de Ruiter, dat hij die avond enkele uren voor de deportatie bij een van de joodse gezinnen nog nieuwe kleren had gebracht.
En dan de laatste maanden van de oorlog. Was het niet op nieuwjaarsdag, dat er ’s morgens een Duitse jager neerstortte tussen Bronneger en Borger? Als ik mij goed herinner, werd er toen gezegd, dat één van de jongens uit de Lemmerstraat de piloot, die naast de brokstukken van zijn vliegtuig lag, nog een hand had gegeven vlak voor hij overleed. Van de resten van die vliegmachine zaagden wij later ringen in de smederij van Zomers.
De Duitsers legden versterkingen aan bij de Eeserbrug. Dikke boomstammen werden in rijen in schuttersputjes gezet: ze moesten de kogels van onze bevrijders tegenhouden. Als kwajongen van elf jaar stond ik met mijn kameraden er bij te kijken. Met mijn voet trapte ik (echt per ongeluk) wat zand los, dat naar beneden viel op het hoofd van een Duitse soldaat. Hij greep naar zijn pistool en begon tegen mij te schreeuwen, ik werd er bang van. Maar echt, het was niet bedoeld als een verzetsdaad, het was een ongelukje.
Dan komt de dag van de bevrijding. Samen met vader, moeder en de beide zussen zit ik om de tafel in de kamer van het boerderijtje aan de Hunebedstraat. Papieren en sieraden bij elkaar in een doek gebonden midden op tafel. Een echte plek om te schuilen hadden we niet. Er waren boeren, die konden schuilen achter een vak met hooi in de schuur, maar ons hooi lag op de zolder. Het werden angstige uren. Geen mens op straat en granaten, die gierend over het huis jankten. En dan ineens een harde klap: het “oelenbred” vloog uit het dak, een eiken boom viel om langs de straat en de nok van het schuurtje van onze overburen was niet meer te zien door het stof, dat vrijkwam toen de granaat er insloeg. Wat waren we blij, toen we later op de middag tussen de huizen door en kijkend over het veld de Duitsers zagen wegtrekken over de Drouwenerstraat.
En dan de bevrijding. De tanks, de Poolse soldaten, kauwgom en chocola, het feest op straat met tegen de muren van het gemeentehuis een paar Borgerders, met de handen omhoog, zogenaamde landverraders. Kort daarna de avond met de intocht van de NSB’ers uit Drouwen op weg naar de lagere school. Met ketten (of was het touw?) aan elkaar vastgebonden en de kijkers langs de Hoofdstraat zingend van “Wien Neerlands bloed door ‘d aderen vloeit”. Daarna ’s avonds de demonstraties op het schoolplein. NSB’ers op handen en voeten door de modder laten kruipen en zo wat meer. Een paar vrouwen, die bij kapper Sanders het hoofd kaal geknipt krijgen omdat ze misschien wat te vriendelijk waren geweest tegen de bezetter? Dit alles heeft op mij als jongen van elf jaar toen allemaal veel indruk gemaakt. Nu, 60 jaar later, vraag ik mij natuurlijk af, of dit gebeuren direct na de bevrijding wel allemaal door de beugel kon en het antwoord moet ontkennend zijn. Waarom het dan toch gebeurde? Je moet daarvoor denk ik zelf vijf jaar van onderdrukking, van je moeten behelpen met van alles, van terreur tegen joden, van fusillades van goede vaderlanders, van vijf jaar op je woorden moeten passen omdat de vijand mee kan luisteren, van dit alles hebben meegemaakt. Alleen dan kun je het begrijpen, hoewel je het niet hoeft te verdedigen.
De oorlog ligt nu 60 jaar achter ons, maar laten we blijven gedenken wat er toen is gebeurd en laten we er voor waken, dat het zich ooit nog eens herhaalt!
0 reacties