1. Home
  2. |
  3. Tweede Wereldoorlog
  4. |
  5. Oorlogstijd
  6. |
  7. Oorlogstijd van Roelof Grit

Oorlogstijd van Roelof Grit

0 Reacties

Op vrijdag 10 mei 1940, de dag van de Borgerder markt en kermis, ging ’s morgens om 06.00 uur de Eeserbrug de lucht in. De Tweede Wereld Oorlog was een feit. Ik had toen de leeftijd van 12 jaar en 7 maanden. Een leeftijd om alles bewust te kunnen meemaken. Het was een geweldige klap, zodat bij ons thuis alles rinkelde, doch niets was er kapot. Had net de openbare lagere school verlaten om het vervolg onderwijs op de Mulo te gaan doen.

In de loop van de morgen ontstond er een hevig vuurgevecht vanuit de bunker nabij de brug op de kanaaldijk onder commando van de Sergeant Lanting en van de vijand, de Duitsers, vanuit de tegenovergestelde richting (Ees). Als gezin Grit moesten wij toen nog emigreren naar de andere kant van Borger. Wij kwamen terecht bij de familie Evert Eising in de Ambachtstraat. Dezelfde dag  konden wij om ± vijf uur in de middag terug gaan naar de Molenstraat (werd vroeger genoemd als Achterweg).

Naarmate de oorlog langer ging duren werden er allerlei verzetsgroepen gevormd, ook in Borger. Van onderstaande personen wisten of hoorden we dat zij verbonden waren in een bepaalde verzetsgroep; Jans Diemer; Dierenarts Geerstsema; Geert Egberts; Harm Tiesing; Reinder de Poel; Dolf Hoving; Gien Smeenge; Hendrik Meijering; meester Koornstra; Familie Vos; Roelof Oosting en waarschijnlijk nog wel meerderen.

Ik heb de oorlogstijd vanaf het begin tot aan de bevrijding bewust mee gemaakt en kan mij tot op heden nog heel veel herinneren. Doordat ik vanaf 1943 mijn vader altijd geholpen heb, hij was venter voor de Coöperatie “De Dageraad” uit Assen met brood en kruidenierswaren in Borger en de omliggende dorpen, hoorde je nog al eens bepaalde opmerkingen. Het was altijd oppassen geblazen en extra attent zijn wat en waar je iets ging vertellen. Je was al gauw op de hoogte wie de verkeerde personen waren (NSB-ers). Mijn vader ging nog al eens in discussie, zodat ik dan wel eens dacht:”Man hou je toch eens stil, je kunt nooit weten wat er door verteld gaat worden en waar het dan ook terecht kan komen”. Gelukkig hebben we er nooit enige narigheden van ondervonden.

Eén keer is het mij overkomen dat ik in Eesergroen werd aangehouden door twee landwachters, waarvan de ene Harm Struik uit Ellertshaar was, die ik dus herkende. En hoe kwam dit? Ik ging in die tijd twee keer in de week, maandag en vrijdag, op de fiets met vier tassen aan het stuur en de twee grote tassen aan de bagagedrager, met brood bij de klanten langs in Eesergroen, Eeserveen en De Kiel voor het bezorgen van het brood. De laatste klant voor mij was dan de familie Schadenberg in Ellertshaar (Klonie). Bij de aanhouding werd mij de vraag gesteld wat ik alzo in die tassen had en moest daarna het brood uit de tassen halen en daarna  keken zij in de tassen of er ook nog iets anders in zat. Gelukkig was dat niet zo en mocht ik verder gaan.

De oorlogstijd ging maar door. Mijn neef Roelof Oosting had zich ook aangesloten bij de verzetsbeweging en werd op een gegeven moment samen met zijn makker Bijlsma, hij kwam uit Doetinchem,  in Assen gepakt door landwachters.  Ze werden op het Zeijerveld door middel van een nekschot gefusilleerd.

Op een gegeven moment werd onze buurman Reinder de Poel in Emmen door Duitsers gearresteerd. Die bewuste middag stopte voor zijn huis een Duitse legerauto. Twee Duitse militairen stapten uit en De Poel stapte even later uit. Ze liepen naar de woning van De Poel en kwamen terug en had De Poel een aktetas onder de arm. Bij het naar binnen gaan had hij geen tas bij zich. Ik kon dit alles zien vanuit onze keuken.

Op 11 april 1945 hoorden we al eens heel in de verte gerommel  (wapengekletter). Het ging dan ook al eens: “Ze zijn in aantocht. Het zal wel niet zo lang meer duren dat we bevrijd worden”. Wij, mijn vader, twee broers van mij en ik, hebben die bewuste middag een kuil gegraven van 4 bij 5 meter, enkele balken er overgelegd met daarop stropakken gelegd. Dit zou dus moeten dienen als schuilkelder. Achteraf gezien bleek dit dan ook wel nodig.

De volgende dag, 12 april 1945, werd het gerommel steeds duidelijker hoorbaar. We zagen jonge Duitse militairen (SS-ers) bij ons in de Molenstraat steeds heen en weer lopen. Om ongeveer 12.00 uur werd de Eeserbrug opgeblazen. Het was een enorme dreun met een zware luchtdruk, zodat onze buurvrouw, vrouw Boezen, tegen de grond werd gedrukt.

Wij. als gezin, zaten dus in de schuilkelder en af en toen hoorden wij weer eens een zware dreun. De Duitse militairen hadden twee stukken geschut (mitrailleur en een kanon)) op de kruising bij bakker Rosing geplaatst. Deze  stukken geschut waren verplaatsbaar en werd door de Duitse militairen steeds verlegd in de Molenstraat, waarop de geallieerden vanaf het dorp Ees het vuur ook steeds gingen verleggen, tot dat een voltreffer het Duitse mitrailleurstuk en het kanon met een voltreffer wisten te vernietigen. Daarna werd het stil en gingen wij, mijn vader en ik, eens kijken hoe het was. Het eerste wat wij zagen was een groot gat in het achterhuis. Een voltreffer op ons huis, Gevolgen: paard dood in de stal. Een jonge varken, rijp voor de slacht, lag dood in de schuur met de ingewanden uit de buik. (De zelfde avond heeft mijn vader het varken nog geslacht (hij was een zogenaamde huisslachter). Bij buurman De Poel had een voltreffer bij de voordeur de ingang vernield, bij buurman Boezen was de schoorsteen van het huis afgeschoten, bij de derde buurman (Haddering) was een voltreffer terecht gekomen op de schuilplaats. Hier alle zand weg, gelukkig geen persoonlijke ongelukken.

Om ongeveer vijf uur in de middag stonden wij achter de heg, hoogte ongeveer 60 cm. Hier konden wij over het land kijken, Er stonden maar een vijftal huizen, met als bewoners de families Stiekel, Fidder, Martens, De Zwaan en Bruins en we konden zodoende duidelijk zien dat er personen over de sluisdeuren liepen. Op een gegeven moment hoorden wij de kogels door de lucht fluiten. Op ongeveer 40 tot 50 meter verder op liep Dirk de Gooyer, echtgenote van Sinie Hendriks, die riep: “De handen omhoog doen, dan gebeurd er verder niets”. Toen hoorden we daarna ook echt niets meer en kwamen er militairen (en dit waren dus onze bevrijders, de Poolse Oorlogsvrijwilligers) in onze richting lopen en gingen verder het dorp in.

Dit  is dus mijn persoonlijke herinneringen aan de tijd van de Tweede Wereld0orlog.

Dit is dus mijn persoonlijke herinneringen aan de tijd van de Tweede wereldoorlog.

Roelof Oosting, 8-4-1911/18-9-1944

Hij was een oomzegger van mijn vader, dus een neef van mij. Op een avond fietste Roelof van Borger naar Westdorp.Het was’s avonds na acht uur. (Spertijd). Op de Westdorperweg, nabij het oude voetbalveld, stonden twee landwachters (Namen zijn bekend bij de redactie). Zij hielden Roelof aan omdat hij in verboden tijd nog op de straat was (Hij werkte samen met een verzetsgroep). Op dat zelfde moment kwam er nog een fietser vanaf Borger. Het was Willem Vos, een boerenknecht van de familie Oldengarm. Op het moment dat die twee landwachters met Vos bezig waren, moet Roelof de kans hebben gezien om de fiets te draaien en er vandoor te gaan richting Borger. Doordat de landwachters eerst hun wapen moesten ontgrendelen, moesten laden en daarna pas hun wapen konden gebruiken was Roelof al een eind richting Borger, aldus het verhaal van Willem Vos. De achterband van zijn fiets was wel lek geschoten en hij had, zoals later bleek, enkele loden kogeltjes in de kuiten van zijn benen zitten. Broodventer
Mijn vader was venter met brood- en kruidenierswaren voor de coöperatie ‘De Dageraad’ te Assen in Borger en de omliggende dorpen, waarbij ik in de twee laatste oorlogsjaren altijd moest helpen en soms waren er dagen bij dat ik alleen het werk moest doen. In het jaar 1944 kwamen het brood en de kruidenierswaren per spoor aan op het station te Gasselte. Wij gingen hier dan heen met paard en venterskar om de spullen op te halen. Zo af en toe kwam ook Roelof daar heen en kreeg hij iets van mijn vader in de fietstas geduwd. Hij was op dat moment al onderduiker ergens in de omgeving van Gasselte. Dan zag ik wel dat hij mijn vader een enveloppe in de handen drukte. Hij vertrok weer op de fiets en wij gingen richting Drouwen om daar de eerste klanten te gaan bezoeken. Op een bepaald moment zagen wij Roelof niet meer. Achteraf bleek dat hij ergens anders was ondergedoken. Daar waar hij was werd het voor hem te benauwd. ’s Avonds als de andere kinderen , ik was de oudste en er volgden nog acht na mij, naar bed waren, dan kwam de enveloppe van Roelof Oossting op tafel (er zaten distributiebonnen in, die door de illegaliteit waren verzameld) en gingen we de bruikbare bonnen van de papieren knippen, opplakken op speciale fomulieren en daarna laten drogen. Ik was toen zeventien jaar en wist al zeer goed wat het woord ‘ZWIJGEN’ betekende. Deze formulieren met bonnen moesten op woensdagmorgen op het distributiekantoor worden ingeleverd. Hiervoor werden dan door het distributiekantoor coupures verstrekt. Het inleveren moest na half twaalf gebeuren bij een speciale loket. Aan dit loket zat een ambtenaar uit Buinen (NSB’er, landwachter). Die mocht niet weten dat wij soms een zeer groot aantal bonnen inleverden. Als deze persoon dan vertrokken was, nam de directeur (een zekere Renkema) de plaats in om de bonnen in ontvangst te nemen. De bonnen die wij van de klanten ontvingen waren goed voor het afleveren van bepaalde artikelen, Hadden wij in de week van een bepaald artikel (bijvoorbeeld stroop) zo’n 80 potten verkocht, dan hadden we van dit artikel 80 bonnen. Bij inlevering hiervan ontvingen wij dan van het distributiekantoor een coupure die dan goed was voor het ontvangen van 80 potten stroop, om die vervolgens weer te kunnen verkopen aan de klanten. Zo waren er dus voor zeer veel artikelen speciale bonnen. De ontvangen coupures werden door mijn vader of door mij afgeleverd bij de zaak te Assen. De hiervoor te ontvangen goederen werden dan bij ons thuis afgeleverd, Vervolgens werden ze in kisten verpakt en werden ze door de boderijders Chris Aalmoes of Harm Warring vervoerd of naar Assen of naar Groningen. Vanaf hier werden ze verder getransporteerd. Op een gegeven moment troffen wij Roelof niet meer, Hij bleek te zijn vertrokken naar een ander adres, dat bij ons niet bekend is gemaakt. Op een gegeven moment deed het dramatische moment zich voor dat hij 18 september 1944 was vemoord in het Heukersbosje op het Zeijerveld, samen met zijn makker Albert Christiaan Bijlsma afkomstig uit Doetinchem en een geboren Assenaar.

Radio Oranje

Landwachters, Nederlanders die voor de Duitsers werkten, hielden Oosting en Bijlsma op 18 september 1944 in de Rolderstraat te Assen aan. Oosting vervoerde op zijn fiets een radiotoestel. Bijlsma hielp hem. Het apparaat had al lang moeten worden ingeleverd. De Duitsers hadden het bezit van radio’s ten strengste verboden, om te voorkomen dat Nederlanders naar radio Oranje luisterden. Oosting moest voor verhoor mee naar het bureau van de Landwacht aan de Zuidersingel 1. De valse papieren van Bijlsma werden in orde bevonden en hij mocht gaan. Na dit voorval wilde Bijlsma weg uit Assen. De landwacht had een fout gemaakt, een radiotoestel was immers verboden, en begon jacht op hem te mken. Bijlsma probeerde nog andere illegale werkers te waarschuwen en dat werd zijn noodlot. De landwacht kreeg hem weer te pakken en wilde de man even als Oosting ook naar het bureau brengen. Bijlsma wist nog een keer te ontkomen, maar had pech dat zijn ketting van de fiets liep. Zo werd hij opnieuw gegrepen.

Niet toonbaar

Beide verzetsstrijders zijn tijdens verhoren door Hollandse SD’ers beestachtig mishandeld. De verwondingen waren zo erg dat ze niet meer toonbaar waren om naar het Huis van Bewaring te worden gebracht. Het enige wat Oosting en Bijlsma toegaven was dat ze lid waren van de LO (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers). Namen en adressen van onderduikers gaven ze niet. Het tweetal werd later onder handen genomen door de beruchte SD’ers Sander van Droffelaar en Van Nordenne. Om de martelingen een poosje te laten ophouden, vertelde Roelof Oosting dat hij in een hol in een bos bij Norg woonde. De twee zijn ook nog verschenen voor de SS-Sturmscharfürher en Kriminalsekretär van de SD in Assen, J. Mählopp en Sekretär D.H.L. Ohlhoff. De Duitse commandant gaf opdracht Oosting het hol aan te wijzen. De commandant gaf gelijk een vrijbrief om de verzetstrijders als holbewoners dood te schieten. Ze wilden toch geen verdere inlichtingen geven en waren al zo toegetakeld dat ze niet meer naar de gevangenis konden worden overgebracht. De SD’ers Van Droffelaar en Lamberts namen Oosting en Bijlsma geboeid mee. Oosting zei het hol niet terug te kunnen vinden en dat het dan in Zeijerveld moest zijn. In het Heukersbosje aangekomen zakte de uitgeputte Oosting in elkaar. Toen de nacht begon te vallen schoten Van Droffelaar en Lamberts beide mannen met een nekschot dood. Hun laatste woorden waren “Leve de Koningin, leve de vrijheid.” Hun lijken werden drie weken later pas begraven.

Wandaden

Na de bevrijding zijn Lamberts en Van Droffelaar voor hun wandaden ter dood veroordeeld. In 1949 zijn ze gefusilleerd. Van Noordenne sneuvelde in 1945 tegen de Franse para’s, die de laatste oorlogsdagen rond Assen waren gedropt. Op de plaats waar Oosting en Bijlsma zijn doodgeschoten is in 1948 een klein en eenvoudig monument geplaatst. Het is aanvankelijk nooit onthuld en er werd ook geen bekendheid aan gegeven. In het dichtbegroeide bos was het monument bijna onvindbaar geworden. Met toestemming van de grondeigenaar en de gemeente is het bos gesnoeid en zijn wegwijzers aangebracht. Op woensdag 7 september l966 is het monument alsnog onthuld. Het monument is geadopteerd door de openbare basisschool te Zeijen.

Roelof Oosting, geboren 8 april 1911, was een boerenzoon uit Westdorp, gemeente Borger. Hij was niet getrouwd en woonde thuis bij zijn ouders. Voor de oorlog had hij een leidende functie in de Vrijzinnige Christelijke Jeugd club (VCJC) en had in veel dorpen betrouwbare contactpunten. De man was een fel anti-nationaalsocialist en kon het onrecht in de bezettingstijd niet aanzien. Hoewel zijn ouders het niet goedkeurden, ging hij in het verze. Oosting hielp veel onderduikers, waaronder Joodse kinderen. Hij bracht ze onder en zorgde voor geld en bonkaarten voor levensmiddelen. Ondanks dat hij eens door de landwacht was beschoten, zette hij zijn werk voort. Assen was het centrum van zijn activiteiten. De Duitsers zochten hem al lange tijd.

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site wordt beschermd door reCAPTCHA en Google Privacy Policy en Servicevoorwaarden toepassen.

De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.

Auteur: Roelof Groet, geboren 18-10-1927, Molenstraat te Borger

Roelof Oosting